Copyright © 2002/ 2004: Het Prieeltje Online.  All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden
gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn
trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken
met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.  
YEHUDA AMICHAI (Israël)
Yehuda AMICHAI: “...ik zwijg, want het is allemaal
omkoperij”
door Henri Thijs

Voor een dichter is de tijd vaak een trouwe bondgenoot, omdat hij hem/haar in staat
stelt de bespiegelingen van elk moment te projecteren op een artistiek scherm van
vreugde, weemoed en onvergankelijkheid.  Tijd is de schepper van de alledaagsheid en
van de lakse onverschilligheid waartegen menig dichter furieus of meer bescheiden ten
strijde trekt.  Maar tijd is ook een geduchte vijand die vele met zorg en ijver gesmede
plannen doorkruist en bijwijlen vernietigt.  Tijd is ook de hoeder van het noodlot, de
boodschapper van de steeds aanwezige fataliteit in het leven van elke gemeenschap.  
Tijd is finaal de discrete “killer”, het geheime virus die de dromen en de verbeelding
kan aantasten en langzaam doen kwijnen tot in de vergetelheid.
De voorbije jaren ervaren wij meer en meer in welke mate die laatste eigenschap
ingrijpt in het leven en werk van tal van grootmeesters in de poëzie.  Na Miroslav
Holub, waarover werd bericht in het eerste nummer van dit tijdschrift, werd er op 22
september 2000 weer een tweede grote mijlpaal in de wereld van de poëzie geveld, nl.
de Joodse dichter Yehuda Amichai.  
Deze in Duitsland uit een strenge religieuze familie geboren auteur, emigreerde in 1935
naar Eretz Yisrael waar hij kort verbleef in Petach Tekvah alvorens zich definitief te
vestigen in Jeruzalem. Tijdens de tweede wereldoorlog diende hij met de Joodse
brigade in het Britse leger.  In de zgn. “Onafhankelijkheidsoorlog” vocht hij in de
Negevwoestijn aan het zuidfront.  Na de oorlog studeerde hij aan de Hebreeuwse
universiteit Bijbelse teksten en Hebreeuwse letterkunde.  Hij kwam aan de kost als
leraar in het middelbaar onderwijs en later als hoogleraar aan de “Hebrew University”
van Jeruzalem.
In 1955 publiceerde hij zijn eerste gedichtenbundel “Achshav Uve Yamin HaAharim”
(Nu en op Andere dagen), waarna een imposante reeks bundels in snel tempo op
elkaar volgden, waaronder ook bekende belangrijke verzamelingen, zoals: “Collected
Poems” (1963), “Selected Works” (1981) en “Shirei Yerushalayim” (Gedichten van
Jeruzalem) (1987), een tweetalige editie verlucht met foto’s van de stad.  Naast poëzie
schreef hij ook nog tal van korte verhalen, twee romans, radiosketches en
kinderboeken.  Zijn toneelstuk “Klokken en Treinen” werd bekroond.  Ook ontving hij
de Schlomskyprijs en tweemaal de Acumprijs.  
In de context van de Israëlische of Hebreeuwse poëzie hoorde Amichai thuis bij de
zgn. “Generatie van de staat” en was hij zelfs koploper ervan.  Deze dichters keerden
zich tegen de toonaangevende “Palestijnse poëzie” van vroeger.  D.w.z. zij meden elke
vorm van pathos, feestelijkheid, “poëtisch” taalgebruik, nationale en publieke
onderwerpen.  Zij begonnen als eersten spreektaal en prozaïsche elementen toe te laten
in hun poëzie.  Zelden gebruikten zij nog de ingewikkelde rijmschema’s van vroeger.  
In combinatie met de spreektaal werden vaak bijbelse elementen gebruikt omdat in
Israël de bijbel - het Oude Testament vooral - volledig geïntegreerd is in het dagelijkse
leven en het taalgebruik.
Het autobiografische en persoonlijke in zijn gedichten, het verzet tegen elke conventie
en elk kader, de nadruk op de erotische liefde, zijn stellingname tegen de oorlog en zijn
spreektaalstijl - waarin hij het oude en het nieuwe, het alledaagse en het bijbelse op een
geheel eigen manier combineerde - maakte hem tot een van de meest geliefde
hedendaagse dichters in Israël en tot een schitterende ster van het firmament van de
literaire wereld.  Hij zwijgt nu, zoals hij het zelf zo pertinent formuleerde in een van zijn
prachtige gedichten die hier volgen:

“Ik prijs, ik bid, ik vloek,
Ik haast me, ik zing, ik zwijg
want het is allemaal omkoperij”

TWEE GEDICHTEN (*)

WANT HET IS ALLEMAAL OMKOPERIJ  

Het ijzer wacht vlak bij mijn lichaam, niet alleen in
  de oorlog,
ook bij de kapper kleppert het langs mijn wangen,
het giechelt bij mijn ogen en beidt zijn tijd.
Ik prijs het ijzer, bejubel de kapper
en betaal hem en geef er een fooi bij,
allemaal omkoperij.

Ik vraag naar plaatsen waar ik
niet heen wil, informeer naar mensen
die al dood zijn.  Allemaal omkoperij.

Ik hang vlaggen in mijn huis,
ik versier mijn vensterbank,
ik begiet mijn tuin met het laatste water
en geef rode bussen
hun voer, brieven, brieven,
ik spaar geld en geef aan liefdadigheid,
ik ben godvrezend en mensvrezend,
ik huil, ik lach,
omkoperij.

Ik verwek kinderen voor Moloch,
ik streel ze, ik kus ze.
Ik heb lief en ben bang, allemaal omkoperij.

Mijn ogen zijn de ogen van een vader, gaan heen
en weer met zijn kinderen op de schommel.
En mijn ogen weten dat één zwaai
de laatste zal zijn, bij mij vandaan en steeds verder,
en tevergeefs probeer ik de schommel om te kopen.

Ik ben zo alleen als een ei
ik ben zo sterk als een ei
ik ben zo zwak als een ei
ik voel me van binnen slechts geel en wit.

Ik eet de sappige vrucht
van de wanhoop, die vol zit met de pitten
van de goede hoop, ik zegen de vrucht
en spuug de pitten uit.
Allemaal omkoperij.

Elke morgen ben als Jozef, die men ijlings
uit de kuil deed komen en tot Farao bracht.
Ik scheer me en verander mijn kleren, net als hij,
altijd gereed voor een keer ten goede,
ik wanhoop niet, ik vul formulieren
en ledig mijn ziel, want het is allemaal
omkoperij.

Enkele dagen geleden zag ik een man
die op zijn oude dag het geloof had afgeworpen,
zijn baard had afgeschoren, zijn zijlokken
 afgeknipt,
en het keppeltje van zijn hoofd had genomen.
Ik dacht, wat een moed heeft een mens nodig
om zijn geloof af te zweren zo dicht bij de dood.
Ik schud zijn hand, ik streel
zijn gladde kwetsbare wang,
ik prijs, ik bid, ik vloek,
ik haast me, ik zing, ik zwijg
want het is allemaal omkoperij.


* * *


ALS BIJ BEGRAFENISSEN

Na elke daad die ik doe lopen zij in een stoet
Als bij begrafenissen: het kind dat ik was, jaren geleden,
De jongen in zijn eerste liefde die ik was, de soldaat
Die ik was in die dagen en de grijze man van een uur geleden.
En nog anderen, ook vreemden, die ik ooit was en weer
Ben vergeten - misschien was één wel een vrouw.

En allemaal samen, met bewegende, onthoudende lippen
En allemaal samen met vochtige, glanzende ogen
En allen spreken zij woorden van afscheid en troost
En allen keren zij dan weer naar hun eigen zaken en tijd
Als bij begrafenissen.

En één van hen zei tegen zijn vriend: de belangrijkste taak
Van de moderne industrie is het vervaardigen
Van zo sterk mogelijk, maar toch lichte materialen.
Dat zei hij, en hij huilde en ging zijns weegs,
Als bij begrafenissen.


(*) Uit: Poëziekrant, jaargang 20, nr. 1, blz. 22, Vertaling: Tamir Herzberg.


terug naar boven