Copyright © 2002/ 2004: Het Prieeltje Online.  All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden
gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn
trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken
met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.  
De befaamde Amerikaanse dichter en criticus Dana Gioia schreef  een
ophefmakend boek getiteld “Can Poetry matter ?” dat in de States veel
reacties losweekte in culturele en intellectuele middens.  De inhoud van
dat boek bevat zoveel parallellen met de situatie hier ten lande dat onze
ezine het opportuun vond bepaalde fragmenten en grondideeën uit dat
omvangrijke werk ter beschikking te stellen van de Nederlandstalige
lezers.  Dana Gioia weet waarover hij het heeft want hij werkte lange
tijd als poëziecommentator voor de BBC en werd met zijn recentste
poëziebundel “INTERROGATIONS AT NOON” bekroond met de
American Book Award.  

De Amerikaanse poëzie van vandaag behoort tot een subcultuur.  Verworden
tot een buitenbeentje van het artistiek en intellectueel leven, is ze de
hoofdbekommernis geworden van een relatief kleine en geïsoleerde groep.  
Weinig van de verwoede activiteit die ze ooit genereerde raakt verder dan die
besloten kring.  Als een klasse hebben dichters nog altijd hun culturele status
behouden.  Als priesters in een stad van agnostici stralen zij nog steeds een
lokaal prestige uit.  Maar als artistieke individuen zijn ze bijna onzichtbaar
geworden.
Wat die situatie van de hedendaagse dichters zo bijzonder merkwaardig
maakt, is dat zij zich manifesteert op een ogenblik van nooit geziene expansie
van de kunst in het algemeen.  Nooit werden er zoveel nieuwe poëziebundels
en bloemlezingen gepubliceerd als de dag van vandaag.  Nooit is het ook zo
simpel geweest om als dichter een behoorlijk bestaan te leiden.  Nooit
werden er ook zoveel jobs gecreëerd op het vlak van schrijfcursussen
allerhande.  Het Congres heeft zelfs het statuut van “Poet Laureate” opgericht
en toegepast in meer dan 25 staten van Amerika.  Men vindt heden ten dage
ook een compleet netwerk van publieke subsidiekanalen voor dichters
opgericht door federale, staats- en lokale bestuursorganen, met daar nog
bovenop de instelling van beurstoelagen, prijzen, en pensioenrenten voor
schrijvers.  Nooit werden er ook zoveel poëziekritieken gepubliceerd als
vandaag : ze vullen de kolommen van dozijnen literaire nieuwsbrieven en
wetenschappelijke bladen.  
De verspreiding van nieuwe poëzieprogramma’s is in historisch perspectief
gewoonweg verbazingwekkend te noemen.  Meer dan 1000 nieuwe
verzenbundels worden er gepubliceerd elk jaar zonder te gewagen van de
fabelachtige aantallen nieuwe gedichten gepubliceerd in zowel grote als kleine
magazines.  Niemand kan het aantal poëzielezingen in een jaar bijhouden,
zeker is het dat het gaat om tienduizenden.  En er bestaan nu meer dan 200
opleidingsprogramma’s in gediplomeerd creatief schrijven in de U.S.A en
meer dan 1000 niet gehomologeerde . Met een gemiddelde bezetting van 10
poëziestudenten per sectie zullen deze programma’s alleen al meer dan
20.000 professionele dichters produceren in de volgende decennia.  Met
deze getallen voor ogen zou een nuchter observator kunnen besluiten dat we
ons bevinden in de gouden eeuw van de Amerikaanse poëzie.
Maar deze poëzieboom is ook een verontrustend en eng fenomeen
geworden.  Jaren van publieke en private betoelagingen hebben een grote
professionele klasse gecreëerd die instaat voor de productie en de receptie
van de nieuwe poëzie waaronder grote horden leraars, uitgevers, publicisten
en beheerders.  Meestal gevestigd in de universiteiten, zijn deze groepen
langzamerhand de voornaamste primaire toehoorders geworden van de
hedendaagse verzen.  Met als consequentie dat de energie van de
Amerikaanse poëzie die initieel gericht was op de buitenwereld nu meer en
meer wordt afgeleid naar het binnenskamers van diezelfde kringen.  
Beroemdheden worden gecreëerd en beloningen uitgeloofd binnen de
subcultuur zelf.  Met Russsel Jacoby’s definitie van de hedendaagse
academische cultuur in “The Last Intellectuals” kunnen we stellen dat de
bepaling van het begrip “een beroemde dichter” thans betekent en versmalt
tot “iemand die beroemd is bij andere dichters”.  Maar het grote aantal
dichters die dit statuut opeisen hollen het begrip meer en meer uit.  Nog niet
zo lang geleden werd het gezegde “alleen dichters lezen gedichten”  als
misplaatste kritiek beschouwd.  Thans is het een algemeen verspreide en erg
bejubelde marketingstrategie geworden.
De situatie is uitgegroeid tot een reële paradox en een waar Zenmysterie van
de culturele sociologie.  In de voorbije halve eeuw is parallel met de toename
van de geschoolde toehoorderselite het actieve lezerspubliek gedaald.  
Daarenboven hebben de drijvende krachten van het institutioneel poëtisch
succes - de explosie van de academische schrijfcursussen,  de verspreiding
van de gesubsidieerde magazines, de migratie van de Amerikaanse literaire
cultuur naar de universiteiten - onbewust zelf geleid tot het doen verdwijnen
ervan van het publieke forum.  De tekens aan de wand zijn meer dan
duidelijk : de leidende dagbladen bespreken niet langer poëzie ; hedendaagse
recensenten van niveau die er nog aandacht voor hebben worden zeldzaam ;
eigenlijk bespreekt niemand nog de poëtische productie, behalve dan de
dichters zelf.  Een vaststelling die tot nadenken stemt is hierbij cruciaal : zelfs
als wordt er nog steeds uitstekende poëzie geschreven, ze is langzamerhand
verbannen uit het centrum van het literaire leven.  
Ook in de subcultuur zelf ziet men dezelfde negatieve tendensen zich
manifesteren.  De in zwang zijnde rituelen van de poëziewereld  - lezingen,
kleine periodieken, workshops en conferenties – tonen een verrassend aantal
zelf opgelegde beperkingen.  Waarom bij voorbeeld wordt poëzie zo zelden
gelinkt met muziek, dans en theater ?  Tijdens de meeste lezingen van
vandaag blijft het programma strict beperkt tot alleen maar verzen – en dan
nog bij voorkeur verzen van de voorgestelde auteur himself.   Verder lijken
de meeste poëzielezingen meer op een ongeremde zelfverheerlijking van het
ego van de auteur zelf dan van de poëzie waar het ten slotte essentieel om
gaat.  Geen wonder daarom dat het publiek voor zulke manifestaties dan ook
quasi uitsluitend bestaat  uit collega-dichters, aspiranten en vriendjes van de
auteurs.  Het nu al onnoemelijk aantal magazines dat alleen verzen afdrukt op
hun bladzijden stijgt zienderogen elke dag.  Meestal drukken zij geen literaire
besprekingen af maar het ene gedicht na het andere zonder meer.  Het vraagt
soms zelfs nog een gedegen inspanning om in die kleine miezerige blaadjes
poëzie te kunnen lezen, gezien de staat waarin het drukwerk zich verkeert en
de wijze waarop alles op elkaar wordt geperst.  Maar weinig mensen maken
zich daar blijkbaar zorgen om, zelfs en vooral de medewerkers niet.  De
onverschilligheid t.a.v. poëzie in de massamedia heeft nu een tegengesteld
monster gecreëerd nl. dat van bladen die té veel de poëzie koesteren en
mateloos behartigen.  Een goeie dertig jaar geleden nog verscheen poëzie in
tijdschriften temidden van een hele scala diverse culturele onderwerpen die
een niet-gespecialiseerd publiek hadden.  Poëzie wedijverde toen met een
gans gamma van lezers’ interesses als daar waren : politiek, humor, fictie en
besprekingen – een competitie die gunstig uitviel in het voordeel van alle
genres.  Een gedicht dat niet speciaal de lezer kon boeien werd beschouwd
als niet relevant.  Uitgevers kozen de gedichten in functie van de
lezersbelangen en de diversiteit van het aanbod zorgde er getrouw voor dat er
ook voldoende afwisseling werd gebracht in het poëzieaanbod.
De karakteristieken van een poëtische subculturele publicatie van vandaag
wijzen in een heel andere richting, nl. die van de verschraling.  Zo is het enige
onderwerp tegenwoordig “Amerikaanse poëzie”.  Tweedens publiceert het
naast uitsluitend verzen slechts korte verhalen.  Ten derde als het zich toch
waagt aan kritisch proza, blijken de essays en de recensies altijd extreem
positief te zijn.  Wordt er een interview opgenomen, dat is de toon uitermate
gunstig en voordelig voor de besproken auteur.  Het is duidelijk dat deze
publicaties enkel tot doel hebben de nieuwe verschenen werken te promoten i.
p.v. kritisch en objectief te benaderen naar de lezer toe.   Zeer dikwijls
blijken er dan ook vriendelijke connecties te bestaan tussen de recensenten
en de besproken auteurs.  De onuitgesproken gedragslijn die hierbij
gehanteerd wordt lijkt te zijn nooit de lezers voor het hoofd te stoten of
onaangenaam te zijn want ze zijn alles wel beschouwd voornamelijk onze
vrienden en collega’s.
Door aldus het moeilijke werk van de objectieve evaluatie achterwege te
laten, verloochent de poëziesubcultuur in feite zijn eigen aard en wezen.  
Maar waarom zou iemand die zelf geen dichter is zich moeten bekommeren
om de problemen die de Amerikaanse poëzie van vandaag stelt ?  Welk
mogelijk impact kan deze archaïsche vorm van kunst hebben op de
hedendaagse maatschappij ?  In normale omstandigheden zou het belang van
de poëzie als kunsttak helemaal niet ter discussie hoeven gesteld te worden
want het zou zichzelf kunnen rechtvaardigen door de grootsheid inherent aan
zijn bestaan.  Dit in samenspraak met Wallace Stevens die ooit schreef : “Het
doel van de poëzie is bij te dragen tot het geluk van de mensen”. Kinderen
onderkennen die bezielde waarheid maar al te goed wanneer zij steeds maar
vragen om hun lievelingsrijmpjes opnieuw en opnieuw te mogen horen.  
Esthetisch genot heeft geen rechtvaardiging nodig omdat het leven zonder dit
genot niet waard is geleefd te worden.  Maar de overgrote meerderheid in
onze maatschappij is de waarde van poëzie volledig vergeten.  Voor de
gemiddelde lezer van vandaag klinken de discussies over de bedenkelijke
staat van de poëzie eerder als debatten over buitenlandse politiek door
migranten in een rokerig café.  Of zoals Cyrill Connolly het ooit bitter stelde :
“Dichters in gesprek over moderne poëzie : jakhalzen grommend bij een
opgedroogde bron”.  Eenieder die hoopt de poëzieontvangst bij een breder
publiek te bevorderen staat voor een afschrikbarende uitdaging.  Hoe kan
men de sceptische lezers van vandaag met argumenten binnen hun bereik
ervan overtuigen dat poëzie nog steeds iets te betekenen heeft ?  
Een passage uit het gedicht “Asphodel…” van William Carlos Williams kan
mogelijk dienen als vertrekpunt daartoe:

“ Mijn hart veert op
bij de gedachte u te berichten

over iets dat jou aangaat
dat vele mensen aangaat.  Kijk
     uit naar wat er nieuw is

Je zult het hier niet vinden
Maar in vergeten gedichten
             … het is moeilijk

het nieuws te rapen uit gedichten
           …toch sterven dagelijks mensen
                          ongelukkig

bij gebrek eraan”

Williams begreep heel goed de waarde van poëzie voor de mens, maar
maakte zich geen illusies over de moeilijkheden die zijn lotgenoten moesten
overwinnen om het publiek aan te spreken dat er het meest behoefte aan
had.  Om dat lezerspubliek terug te winnen moet men beginnen te zoeken
naar iets dat vele mensen aanbelangt en niet alleen de dichters.  
Er zijn op zijn minst twee valabele redenen aan te halen die bewijzen dat de
toestand van de poëzie de hele intellectuele gemeenschap aanbelangt.  De
eerste heeft betrekking op de rol van de taal in een vrije maatschappij.  
Poëzie is de kunst om woorden te gebruiken in hun uiterste betekenis.  In een
maatschappij zullen de intellectuele leiders die het verleerd hebben de kracht
van de taal te vormen, te waarderen en te begrijpen, slaven worden van
anderen die dat wel kunnen zoals : politiekers, predikanten, copywriters of
nieuwsgaarders.  De openbare verantwoordelijkheid van poëzie is
herhaaldelijk in de verf gezet door moderne schrijvers.  Zelfs de archi
symbolist Stephane Mallarmé prees de centrale missie van de dichter die erin
bestaat “de woorden van de stam te zuiveren”.  Evenals Erza Pound die erop
wees dat :
“ Goede schrijvers zijn zij die de taal productief houden.  Dat betekent,
accuraat houden, zuiver houden. Het doet er niet toe dat een goed schrijver
nuttig wil zijn of een slecht schrijver schade wil berokkenen… indien de
literatuur van een natie aftakelt, zal de natie zelf wegkwijnen en ten onder
gaan.”
Of nog zoals George Orwell schreef na de tweede wereldoorlog :”Men moet
erkennen dat de huidige politieke chaos verband houdt met het verval van de
taal.”
De tweede reden waarom de situatie van de poëzie alle intellectuelen
aanbelangt is dat poëzie tussen de kunsten niet de enige is die in een
marginale positie is beland.  Is het publiek van de poëzie vervallen in een
subcultuur van specialisten ter zake, dan is dat ook in dezelfde mate het geval
voor de meeste hedendaagse kunstvormen gaande van drama naar jazz.  
Deze nooit eerder voorgekomen fragmentatie van de Amerikaanse cultuur
gedurende de voorbije halve eeuw heeft de meeste kunsten geïsoleerd en
vervreemd van elkander en van het grote publiek.  Hedendaagse klassieke
muziek kan moeilijk overleven als een levende kunsttak buiten de universitaire
faculteiten en conservatoria.  Jazz, dat eens een breed publiek aansprak, is
het semi-private domein geworden van aficionados en musici.  Ook de
dramatiek kan maar gedijen  in de enge marge van het Amerikaans theater,
waar ze nog enkel floreert te midden van acteurs, aspirant-spelers,
toneelschrijvers en een paar trouwe fans.   Enkel de beeldende kunst ,
misschien door zijn financiële uitstraling en de steun van de bovenklasse, is
grotendeels ontsnapt aan dat gebrek aan publieke belangstelling.  
Het grootste probleem voor de toekomst van de Amerikaanse cultuur is of de
kunsten zullen verder gaan op de weg naar complete isolatie door te vervallen
tot gesubsidieerde academische eenheden of dat er nog mogelijkheden van
toenadering met het gevormd publiek van vandaag openblijven.  Elke
kunsttak moet die uitdaging voor zichzelf aanvaarden en proberen te boven te
komen. Zeker is dat geen kunstvorm meer obstakels op zijn weg zal moeten
overwinnen dan de poëzie.  
Hoe kan poëzie terug worden geïntegreerd als volwaardig element van de
Amerikaanse publieke cultuur ?  Alles wat daartoe dringend nodig is houdt in
dat dichters en poëzieonderrichters meer verantwoordelijkszin aan de dag
moeten leggen om hun kunst terug dichter bij het publiek te brengen.   Zes
concrete voorstellen kunnen daartoe in ernstige overweging worden genomen :

*) Als dichters publieke lezingen organiseren moeten zij er over waken een
gedeelte van hun programma te wijden aan het reciteren van het werk van
anderen, bij voorkeur gedichten van auteurs die zij niet persoonlijk kennen.
Lezingen moeten nadrukkelijk gaan over de poëzie in het algemeen en niet
enkel over de auteur in kwestie;
*) Wanneer kunstorganisatoren  publieke lezingen en sessies plannen, moeten
zij vermijden het formaat van de standaard subcultuur dat alleen poëzie
toelaat, aan te houden .  Meng poëzie met andere kunstvormen zoals in het
bijzonder muziek.  Voorzie avonden waarin overleden of vreemde schrijvers
ook worden geëerd.  Combineer korte kritische lezingen met
poëzievoorstellingen.  Zulke combinaties zullen ook toehoorders van buiten
het poëziecircuit aantrekken;

*) Dichters moeten meer openhartige prozastukken schrijven over poëzie.  
Ze moeten immers proberen de aandacht van een bredere intellectuele
gemeenschap aan te spreken door te schrijven voor niet-gespecialiseerde
publicaties.  Zij moeten daarbij ook nalaten het jargon van de hedendaagse
academische kritiek aan te wenden en schrijven in een open publiek
toegankelijke stijl.  Ten slotte moeten dichters proberen het vertrouwen terug
te winnen van de lezer door openhartig toe te geven wat zij verkiezen en
afwijzen.  Beroepsbeleefdheid is niet op zijn plaats in de literaire journalistiek.

*) Dichters die bloemlezingen samenstellen moeten scrupuleus eerlijk blijven
door enkel die gedichten te selecteren die hun bewondering afdwingen.  
Bloemlezingen zijn de poorten van de poëzie naar de algemene cultuur.  Een
kunsttak verbreedt zijn publiek door alleen meesterwerken aan te bieden,
geen middelmatigheden.  Bloemlezingen moeten zo opgevat worden dat zij
potentiële lezers onderrichten, genoegen verschaffen en aanspreken.  Zij
mogen überhaupt niet dienen om de schrijvende leraars die deze boeken vaak
aanwijzen te flatteren.  

*) Poëzieleraars en in het bijzonder zij die onderwijzen op hoog niveau
moeten minder tijd spenderen aan analyse van gedichten en meer aan
voordrachten.  Poëzie moet worden bevrijd van het keurslijf van de kritiek.  
Gedichten moeten worden van buiten geleerd, opgezegd en voorgedragen.  
Het simpel genoegen van die kunst moet worden benadrukt.  Het spel van de
voordracht is wat kinderen het meest aantrekt in de poëzie : de sensuele
opwinding gepaard gaande met het uitspreken en horen van de verzen van
een gedicht moet worden gecultiveerd.  

*) Ten slotte is het geraadzaam voor kunstbeoefenaars meer de
mogelijkheden van de radio te gebruiken om een groter publiek te bereiken.  
Poëzie is van oudsher een oraal medium en dus uitermate geschikt voor de
radio.  Een creatief en verbeeldingsrijk programma ontworpen voor
radiouitzendingen via de nationale en honderden private distributiekanalen kan
miljoenen luisteraars bereiken.  Die programma’s bestaan er nu ook al, maar
ze blijven traditioneel steken in het sterotypisch subcultureel formaat van
lezingen uit eigen werk.  

Het is de hoogste tijd om te beginnen te experimenteren met poëzie en de
goed geordende en stoffige klaslokaalmentaliteit voorgoed de rug toe te
keren ten einde de vitaliteit besloten in dit medium tot zijn recht te laten
komen.  Alles is nog niet verloren.  De maatschappij heeft ons al laten weten
dat poëzie dood is.  Laat ons daarom een brandstapel oprichten met de
voorbijgestreefde en vastgeroeste conventies rondom ons en aanschouwen
hoe de antieke, met veders versierde, onsterfelijke feniks rijst uit de assen.   

terug naar boven
Is poëzie nog van tel ? door Dana
GIOIA
(vertaling Henri Thijs)
(c/r www.danagioia.net)