Copyright © 2002/ 2004: Het Prieeltje Online.  All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden
gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn
trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken
met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.  
DONALD HALL
keuze en vertaling: Henri Thijs
HALL ALS JONGE ARTIEST

Zoals hij zichzelf zo vaak typeert is Donald Hall nu hij zijn vijfenzeventigste levensjaar
nadert een oude man geworden.  Dat de term oud een lang en publiek leven kan
betekenen bewijst hij meer dan elke andere Amerikaanse schrijver door het
realiteitsbesef van tijd en generatie nadrukkelijk op het voorplan te brengen.  Hij heeft
nl. aan de realiteit van het oudzijn een gezicht, een definitie en een waardigheid gegeven
: oud zoals zijn grootouders waren die hij zo pakkend heeft uitgebeeld in zijn memoires
"String Too Short to Be Saved "; oud zoals zovele dichters die hij ontmoette in zijn nog
jonge jaren en die hij zo levendig heeft geschilderd in "Their Ancient Glittering Eyes" ;
oud zoals de bejaarde weduwnaar die de vroegtijdige dood van zijn
zevenenveertigjarige vrouw evoceert in poëziebundels als "Without".  Oud met een echt
doorleefd sentiment.  Oud zonder sentimentaliteit evenwel.  Ik denk niet dat Donald
Hall fysisch gesproken met plezier (wie zou dat wel doen overigens?) de ouderdom
ondergaat, maar hij heeft het verouderingsproces bekeken met een koud, bloedig oog
dat levendig en werkelijk werd door sympathie vooreerst, en door het poëtisch, in vele
lyrische vormen, zonder enige schroom uit de doeken te doen anderzijds.  Dit is
natuurlijk uitermate bruikbaar in een cultuur die lineair gebaseerd is op een bepaalde
versie van Forever Young.
Hall werd geboren in New Haven, Connecticut in 1928.  Op de leeftijd van 12 schreef
hij al en was hij volledig in de ban van Edgar Allan Poe. « Ik wou gek zijn, verslaafd,
geobsedeerd, opgejaagd en vervloekt », herinnert hij zich.  « Ik wou diepe ogen
hebben die brandden als kolen -  diepgaand melancholisch en attratief ».  Hij schreef
gedichten en verhalen in de voorbereidende afdeling van de Exeter School en amper
op de leeftijd van 16 woonde hij de Bread Loaf Writers-conferentie bij, waar hij
Robert Frost ontmoette.
Hij volgde een universistaire opleiding in Harvard, Oxford en Stanford.  In Harvard
kreeg hij voor een jaar Archibald MacLeish als leraar en zijn klasgenoten waren o.a.
Robert Bly, Adrienne Rich, Frank O’Hara, John Ashbery en Kenneth Koch.  Hall en
Bly werkten daar samen aan de uitgave van The Harvard Advocate.
Tijdens zijn studies in Oxford, werd hem de Newdigate Prize in poetry toegekend,
waarna zijn foto verscheen in Time Magazine, een eer die voor hem de dingen ineens
veel gemakkelijker maakten thuis.  Na een jaar in Palo Alto en een driejarig verblijf als
lid van het bestuur van Harvard, ging hij doceren aan de Universiteit van Michigan en
bleef in Ann Arbor gedurende de volgende zeventien jaren.  Hierna besloot hij op
aanraden van Robert Graves zijn full-time job op te geven aan de universiteit en begon
hij een carrière als schrijver.  Met zijn tweede vrouw Jane Kenyon trok hij dan naar het
huis in New Hampshire waar hij als jongeling de zomervakanties doorbracht bij zijn
grootouders.  « Het was Jane die mij stimuleerde om die stap te zetten », beweerde
hij.  
Sindsdien is hij eenvoudig en gemoedelijk effectief gaan leven van zijn pen, en en kon
hij zich volledig toeleggen op het schrijven.  In zijn huis in Danbury, leeft hij constant
achter zijn bureel waar hij zijn dag begint met het schrijven van poëzie om vervolgens
over te gaan tot essays, tijdschriftenartikelen, korte verhalen, memoires, kinderboeken,
tekstboeken, brieven en dergelijke meer.  Door zijn kosten van levensonderhoud te
drukken en te werken in volledige vrijheid is hij een zeer productief schrijver geworden
experimenterend met allerlei vormen en stijlen.  Hierbij bleef hij de ethos van New
England trouw en leefde een ongedwongen leven op een hoog intellectueel niveau met
zin voor humor en eros.  

HALL ALS LERAAR

De man die in zijn essay van 1980 « Poetry and Ambition » pleitte voor de afschaffing
van het diploma in Creatief Schrijven, wordt vandaag gelauwerd door de Associated
Writing Programs met een poëzieprijs die zijn naam draagt.  Vele kritische
bedenkingen van zijn hand aangaande de schrijfprogramma’s in dat essay houden nog
steeds stand en hebben vaak geleid tot de hervorming van de bestaande opleidingen
terzake.  Gedurende meer dan zeven jaren heeft hij als dichter-in-residence
schrijfcursussen gedoceerd aan het Bennington College, de laatste jaren samen met zijn
vriend en co-inspirator Robert Bly.  Zeer vaak is hij op weg om lezingen te geven wat
reizen meebrengt naar Pakistan, India, Ierland, de Tsjechische Republiek en andere
streken ver van New Hampshire.
Met Bly in Bennington vormt hij een duo dat gelijkenissen vertoont met Freud en Jung.  
Hall is de meedogenloze monotheïst die houdt van Freud omdat diens ideeën en
geschriften zo obsceen zijn als het leven zelf.  Bly daarentegen is een wervelende
derwish van een meertalig polytheïstisch pandemonium, een Amerikaanse eenmans
Fourth of July-parade van vele goden en stemmen.  De vriendschap tussen beiden is
oud, tegenstrijdig, hartelijk en vurig soms.  Naar verluidt houden de studenten en de
faculteit ervan ze bezig te zien.
Jane Kenyon was ook actief in Bennington samen met Hall bij de aanvang van de
Schrijfseminaries.  Zij gaf de laatste lezing van haar leven in januari 1994 gedurende de
eerste sessie van het programma.  Zij gaf lezingen over Keats, Akhmatova en Bishop
en prees met aandrang de keatsiaanse « Fuck and Die School of Poetry » waarvan zij
zelf lid was.

HALL ALS UITGEVER EN ACTEUR

Hall was de eerste poëzieuitgever van The Paris Review en was zijn hele leven lang wel
altijd uitgever van het een of ander.  Hij zat mee in het bestuur van de Wesleyan
University Press poëziereeksen die boeken publiceerden van James Wright, John
Ashbery, James Dickey, Barbara Howes, Louis Simpson, Robert Bly, Robert Francis,
Richard Howard, en Donald Justice.  Daarenboven was hij het die Sylvia Plath en vele
anderen bracht naar Harper & Row, en zijn uitgaven van de « Poets on Poetry »-
reeksen van de Universiteit van Michigan gaven ons een getrouw beeld van zijn
dichtersgeneratie en hun werken die we anders beslist zouden gemist hebben.  
In de jaren 50 gaf hij samen met Louis Simpson en Robert Pack de bloemlezing uit
getiteld "New Poets of England and America", die op zijn beurt Donald Allen
inspireerde tot de publicatie van de tegenvoeter "The New American Poetry" en
ontketende hiermee wat toen werd genoemd de « bloemlezingen-oorlogen ».  Het is
moeilijk denkbaar dat zoiets nu nog zou gebeuren als men ziet hoe bloemlezingen de
dag van vandaag zelfs niet meer gerecenseerd worden, laat staan besproken.
Een spraakmakende synthese bracht hij als solo uitgever van "Contemporary American
Poetry", die volgens mijn smaak een van de laatste toonaangevende bloemlezingen van
de Amerikaanse poëzie blijft tot op heden.
Achter de coulissen was Hall ook actief als acteur met de bedoeling poëzie te brengen
bij de lezers en omgekeerd.  In 1990 was hij werkzaam bij de National Council for the
Arts.

HALL ALS SCHRIJVER

"The One Day", is van de veertien poëziebundels die hij publiceerde,  in mijn ogen zijn
absoluut meesterwerk tot hier toe.  In de tweede helft van de twintigste eeuw prijkt dit
werk op dezelfde hoogte als Anne Carson’s "Glass, Irony, and God " daar waar het
een welsprekende voltooiing is van het Modernisme.  Zijn meest recente bundel
"Without" mag wedijveren met de poëzie van Hardy als een van de mooiste
elegievertolkingen in de engelstalige poëzie van vandaag.  Het feit dat Hall zijn beste
werk produceert in zijn latere jaren maakt van hem een patroonheilige van alle
dichters.  Wie zo een lang leven in de kunst beschoren is,  creëert niets dan hoop voor
de toekomst.


* * *


Uit zijn eigen vooraanstaande bloemlezing "Contemporary American Poetry"  koos en
vertaalde Henri Thijs vier gedichten.


VIER GEDICHTEN VAN DONALD HALL

GOUD


Bleek goud van de wanden, goud
uit de kelken van madeliefjes, gele rozen
stoeiend in een heldere vaas. Heel de dag
lagen we op het grote bed met mijn hand
aaiend het diepe goud van je dijen en rug.
Wij sliepen en ontwaakten en gingen samen
in de gouden kamer liggen
eerst opgewonden en dan rustig weer strelend en
sluimerend, met jouw hand slaperig woelend
in mijn haar.
We bouwden in die dagen
kleine, identieke kamers in onze lichamen
die meer dan duizend jaren zullen
blijven schijnen en bestaan voor hen die ooit
onze graven openen.

(GOLD)


LIGGEND BEELD


Dan veranderde de knie van de golf
in steen.
Bij de klip van haar flank
ankerde ik,
in de duisternis van aangelegde
havens.


(RECLINING FIGURE)


DE BRUID VAN DE ALLIGATOR


De klok van mijn dagen loopt af.
De kat eet mussen op de vensterbank.
Eens bracht ze mij een konijntje
dat we samen verorberden, onder
de rococotafel
terwijl de mannen gilden bij het
heroveren van de gouden paraplu.
Nu wordt de baard van mijn klok wit.
Mijn kat loert in donkere hoeken
en mist haar gouden paraplu.
Zij is verliefd
op de Bruid van de Alligator.
O, die kleine, witte
tanden. De Bruid met witte
kant op haar staart
tuurt vanut de holten van
haar ogen. Haar opengesperde muil
lacht naar de minister en het volk.
Op splinternieuw hout
veertien tomaten,
een dozijn graanringen,
zes flessen witte wijn,
een meloen,
een kat,
broccoli
en de Bruid van de Alligator.
De kleur van kauwgom,
de consistentie van petroleumgelei,
verdorvenheid sijpelt
uit de palm van mijn linkerhand.
Mijn kat likt ze op.
Ik bekijk de Bruid van de Alligator.
Grote huizen als kale rotsblokken
houden zichzelf overeind
in gelatine.
Ik ben niet in staat te dagdromen.
De hemel is een geweer op mij gericht.
Ik haal de trekker over.
De schedel van mijn beloften
zoekt in een zwart kastje
met zijn goede muil naar
een tepel om te zuigen.
Een vogel vliegt af en aan
in mijn huis dat bedekt is met gelatine
en de kat die hem tevergeefs wil vangen.
Onder de rococotafel hult de Bruid van
de Alligator zich in haar bruidssluier.
Mijn linkerhand
lekt op het Chinees karpet.


(THE ALLIGATOR BRIDE)

terug naar boven