Copyright © 2002/ 2004: Het Prieeltje Online. All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden
gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn
trademarks van Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België). Tel. 013/33.55.16. Deze site kan best worden bekeken
met en werd speciaal geconcipieerd voor de standaardschermresolutie van 800 x 600.
FLEUR ADCOCK (Nieuw-Zeeland) keuze en vertaling: Henri Thijs
|
EEN UITHEEMSE DICHTER
Kareen Fleur Adcock werd geboren op 10 februari 1934 in Papakura, Nieuw-
Zeeland als dochter van Cyrill John en Irene Robinson Adcock. In 1982 veranderde
zij wettelijk haar naam in Fleur Adcock. Slechts haar eerste levensjaren bracht zij
door in Nieuw-Zeeland, waarna zij tijdens het grootste gedeelte van haar jeugd
woonde en studeerde in Engeland bij haar beide ouders die hulp verleenden aan
slachtoffers van de tweede wereldoorlog. Pas na de oorlog keerde haar familie terug
naar Nieuw-Zeeland waar zij een graad in de klassieken behaalde aan de universiteit
van Wellington in 1954. In 1952 al trouwde ze te Victoria met de dichter Alistair
Campbell. In datzelfde jaar werd haar eerste zoon Gregory geboren. In 1956
bekwam zij haar masterdiploma terwijl het jaar daarop haar tweede zoon Andrew ter
wereld kwam. Haar huwelijk hield niet stand en liep in 1958 na amper 6 jaar op de
klippen. In datzelfde jaar kreeg zij een job als assistent-lector in de klassieken aan de
universiteit van Otaga in Dunedin. Tevens werkte zij in de universiteitsbibliotheek tot
1961. In 1962 keerde zij terug naar Wellington om te werken in de Alexander
Turnbill-bibliotheek. In datzelfde jaar trad zij kort in het huwelijk met de schrijver
Barry Crump waar zij in 1963 weer van scheidde. Haar scheiding met Crump
inspireerde haar om met zoon Andrew te emigreren naar Engeland, terwijl ze Gregory
bij zijn vader achterliet. In Londen ging zij weer als bibliothecaresse aan het werk in
het Foreign and Commonwealth Office. Pas in 1975-76 bracht Adcock weer een
bezoek aan haar vaderland dat zij dertien jaren geleden had verlaten. De confrontatie
was zeer traumatisch en deed haar kort nadien terugkeren naar Engeland waar zij
deelnam aan twee creatieve workshops respectievelijk aan het Charlotte Mason
College in Windermere en de aan de universiteiten van Newcastle upon Tynne en
Durham.
Sedert 1980 werkt zij uitsluitend als free-lance auteur en produceert zij in die
hoedanigheid haar eigen poëzie, vertaalt, geeft bloemlezingen en bundels uit en verzorgt
bijwijlen ook poëzielezingen voor de BBC.
De poëzie van Adcock wordt essentieel gekenmerkt door beelden opgeroepen uit haar
onmiddellijke leefomgeving. Ofschoon het onderwerp van haar poëzie vaak met uiterst
persoonlijke ervaringen te maken heeft, zijn haar gedichten geenszins van het
confessionele type. In interviews formuleert zijzelf het als volgt “De inhoud van mijn
gedichten wordt grotendeels bepaald door mijn directe levenservaringen en mijn
relaties met mensen en plaatsen die ik persoonlijk ken: het zijn hun beelden en inzichten
die zichzelf scherper manifesteren dan gelijk welke andere bewuste of onbewuste
bronnen. Zij vormen ook rake denkbeelden binnen de contouren van de taal zelf”. De
aard zelf van haar poëzie creëert een bepaalde hang naar impressionistische reflexen,
terwijl haar onderwerpen en toon zeer nauw afhankelijk zijn van de plaats en tijd
waarin ze werden geschreven. Adcock wordt dikwijls “de uitheemse dichteres”
genoemd, omwille van haar gespleten bestaan dat haar drijft van Nieuw-Zeeland naar
Engeland en vice versa, landen die haar allebei als hun eigenste landgenote wensen te
beschouwen. Deze gespletenheid van haar leven zorgt er ook voor dat zij zich vooral
concentreert op het heden met rijk gestoffeerde beschrijvingen en heldere
verbeeldingskracht. Haar poëzie focust daarom vaak op tegenwoordige, specifieke
concrete plaatsen die fungeren als missing links voor de emotionele verlangens die de
afwezige landschappen in haar opwekken. De dichteres heeft een strenge klassieke
vorming ondergaan waarvan de invloeden duidelijk merkbaar zijn in haar vroegste
werk “The eye of the Hurricane” waarin structuur, rijm en ritme aan uiterst strenge
regels voldoen. Deze eerste bundeling bevat vooral reflecties over haar leven in Nieuw-
Zeeland samen met een paar gedichten geschreven in Engeland. Haar tweede bundel
“Tigers”, bevat zowel nieuwe gedichten als oudere overgenomen uit “The eye of the
Hurricane” die zij wensten op te nemen in haar canon. De gedichten in deze laatste
bundel evenals deze gepubliceerd in “The Cave” draaien vooral om het conflict dat rijst
rond de plichten van een stadsleven en haar diepgeworteld verlangen vrij te zijn van alle
maatschappelijke betrokkenheid.
De bundel “High Tide in the Garden”, gepubliceerd in 1971, handelt dan weer haast
exclusief over huishoudelijke bezigheden : zij schrijft over het huis in East Finchley dat
zij net had gekocht en verschillende gedichten zijn mijmeringen over haar zoon Gregory
en haar vroeger leven in Nieuw-Zeeland.
“The Scenic Route” vervolgens verwijst naar verwantschap met de Ierse voorvaders;
de gedichten in deze verzameling zijn korter en meer verbeeldingsrijk dan we van haar
gewend zijn, en worden haar “reisgedichten” genoemd ; zij integreren Adcock’s
inwendig landschap met haar uiterlijke wereld die zij dagelijks verkent en ontdekt.
De bundel “The Inner Harbor” ontstond na de traumatische ervaring van haar terugreis
naar Nieuw-Zeeland en bestaat uit vier afdelingen die thema’s als verlies, dood en
liefde behandelen. In de slotafdeling geven haar gedichten blijk van een zekere
aanvaarding van al de verliezen die zij tot nu toe in haar leven heeft geïncasseerd.
Sedert 1980 heeft Adcock’s poëzie nieuwe terreinen ontgonnen. Zij experimenteert
met verschillende stilistische toonaarden en stijlen, waarbij zij resoluut afglijdt naar een
bespiegelende verkenning van het onbewuste. Haar thema’s blijven evenwel constant
de voorvaderlijke herkomst, geschiedenis, liefde, dood, jeugd en sex benadrukken.
De bibliografie van Adcock oogt tot heden erg indrukwekkend. Zo schreef zij niet
minder dan 13 dichtbundels bij elkaar als daar zijn: The Eye of the Hurricane (1964),
Tigers (1967), High Tide in the Garden (1971), The Scenic Route (1974), The Inner
Harbour (1979), Below Loughrigg (1979), Selected Poems (1983), Four-Pack, One
(1986), Hotspur : A Ballad for Music (1986), The Incident Book (1986), Meeting the
Comet (1988), Time-Zones (1991), Looking Back (1997). Verder nog talrijke
bundels met vertaalde poëzie en artikels en columns in tijdschriften. Haar werk werd
ook vaak bekroond met o.m. : Festival of Wellington Poetry Award (1961), New
Zealand State Literary Fund Award for Achievement (1964), Buckland Award (1968
en 1979), Jesse MacKay Prize (1968 en 1972), Cholmondeley Award (1976), New
Zealand National Book Award (1984), Art’s Council Writers’ Award (1988), en
tenslotte de Order of the British Empire (1996).
Uit het omvangrijk werk van deze auteur koos en vertaalde H. Thijs 3 gedichten
opgenomen in de gekende bloemlezing “ The Penguin Book of Contemporary British
Poetry, edited by Blake Morrison and Andrew Motion”(1988).
DRIE GEDICHTEN VAN FLEUR ADCOCK
VOOR EEN VIJFJARIGE
Er kruipt een slak over het raamkozijn.
Je roept mij om ernaar te kijken en ik
Leg je uit dat het onheus is hem daar
Te laten. Hij kan op de vloer kruipen
En ongewild worden verpletterd. Dat
Begrijp je best en je draagt hem voor-
Zichtig naar buiten om hem een narcis
Te laten eten.
Ik merk dan in jou dat groeiend
Vertrouwen, schatplichtig nog
Aan mij, die je katjes heeft verdronken,
Je naaste vriendjes bedrogen en die menig
Ander vaak op zijn nummer heeft gezet.
Maar zo is het nu eenmaal
Ik ben je moeder en wij
Zijn lief tegen slakken.
* * *
ADVIES AAN MINNAARS
Zeg eens, als je een dode vogel
Ziet vol met maden : wat voel je dan,
Medelijden of afkeer ?
Medelijden is voor het ogenblik van
De dood, en de korte tijd daarna.
Afkeer begint met het bederf, de
Groeiende stank en de wriemelende
Wormen.
Wacht je enige tijd dan ontdek je
Een skeletje van schone botjes en
Enkele veertjes als een braaf symbool
Van wat eens leefde. Niets huivering-
Wekkends meer.
Zo wordt het je misschien duidelijk
Wat ik bedoel, al vind je wellicht
De door mij gekozen analogie met
Onze spaakgelopen relatie nogal
Gruwelijk en heus niet prettig als
Vergelijking.
Toch is het zo dat ook ik in jou
Tal van maden zie. Jij wordt immers
Verorberd door een met liefdeloos
Pathos rondkruipend zelfmedelijden.
Telkens ik je aanraak
Vinden mijn vingers een vettige,
Vochtige wormhuid.
Vraag mij dus niet om liefdadigheid
Of begrip :
Ga a.u.b. weg tot je botten weer
Schoon geworden zijn.
* * *
VERRASSING OP HET EILAND
Bij het binnenkomen vannacht zag ik
De hondenhuid platgestreken en genageld
Tegen de muur tussen de twee vensters.
De hond leek pas gedood vermits er nog
Bloed kleefde op de randen. Het was
Niet mijn hond : ik heb er nooit een
Gehad en heb eerder een afkeer
Van honden (wie dat nog heeft weet wat ik bedoel).
Het was een lichtbruine hond, met zachte
Haren; geen kop meer, maar de staart
Was er nog. Op de vlakke buitenkant
Van de pels was de omtrek van het eiland
Getekend met dikke zwarte strepen in
Het haar : een ruwe landkaart.
De positie van de stad was aangeduid
Met een kogelgat dat dwars door de
Muur ging. Ik zette mijn oog ertegen
En kon de donkere bomen zien rond het
Huis flikkerend in het maanlicht.
Ik sloot de deur af, bleef heel
De nacht op en dronk koffie. Een
Hond kon van nut zijn nu, dacht ik, als
Bescherming. Maar misschien was degene
Die ik gekregen had bedoeld om die functie
Te vervullen; want niemand kwam er opdagen
Die nacht, nocht de drie volgende nachten.
De vierde nacht besloot ik weg te gaan. De
Hondenhuid hing nog steeds tegen de muur,
Stijf nu en droog, zonder vliegen noch
Geur.
Zou het kunnen, vroeg ik mij af, dat hij
Niet bedoeld was als waarschuwing maar
Als geschenk ?
En, lichtjes huiverend, trok ik de nagels
Uit de muur en nam hem mee.
terug naar boven
