ROOD VOORTEKEN

Het is een teken.  Nog al eens opgemerkt.
Rode bloemen op mijn keukenplant
gloeien onnatuurlijk, flakkeren abnormaal,
uitgeknepen, fladderend, vreemd.

Ik haak mijn ogen los, kijk naar de klok.
Het is half zeven.  Heb ik ze al eten gegeven?
Kijk in de gootsteen.  Geen schotels.
Heb ik ze misschien al afgewassen?
Of  was het avondeten later gepland?

Mijn geest is een zachte grijze portemonnee
met verborgen vakjes.
Gedachten sluipen schalks weg, mij
achterlatend met een tekort aan geld
om in mijn levensonderhoud te voorzien..
De avondzon gluurt door mijn raam
en schijnt op de vloer.

Onverschilligheid veinzend, loer ik rond.
Hij is verdiept in zijn krant.
De kinderen zijn bezig in hun kamer met kinderspelletjes.
Alles is in orde, maar niet voor mij.  Hebben wij het avondeten genuttigd?
Koortsachtig op zoek naar aanwijzigen. moet ik dat niet vragen.  

In de keuken schitteren de karmozijnen,
kleine rode vlaggen ten teken van
een dreigende ramp.  Maar nog gloeit de robijnrode wijn,
wenkend vanuit zijn schuilplaats
als een dierbare, verraderlijke vriend.

(red omen)

* * *

DE OGEN VAN DE WAARHEID

De tijd was, zij liggend in het dons
     met het vuur van de kaars likkend aan haar open dijen,
                een listige tong beroerend
      en strelend haar ziel, een zoete mond zuigend

de duisternis uit haar.  Haar bloed
wilde het uitschreeuwen:
Dit is de zin van het leven!

Nu koestert zij zich in de glimmende kus van de lente, verleid
door zijn sensueel, regenachtig boeket.  Zijn ontloken schoonheid
        knoopt haar ogen los;  zij draalt op prachtig
        opgezette torens, kastanjebomen, kerselaars; laat opzwellende knoppen
        van beloftes haar bloed binnendringen en bezit nemen van haar lichaam

Zij neemt zijn potente weelde op in haarzelf
                  en zingt van vreugde:
Dit is de zin van het leven!

  • ·        

  • ·        

  • ·        
           
         Zij staart in de ogen van haar spiegels en merkt
dat de Herfst er al is.  Zij fluistert:
Wanneer kwam je?


Zij schreeuwt het uit: Wat is de zin van het leven?        

         
(The Eyes of Truth)


* * *

HET ON-VERGANKELIJKE VAN MOEDER

Door het pijnlijke duister kruip ik.  Pieken van verdriet
doorboren de hemel, een afstandelijke, gevoelloze hemel.
De lucht voor mij ademt open,
toont mij een stille leegte.
Ik ben een oud kind, reikend, hongerig.

Ik wil schuilen in jouw rokken,
slechts tussen hun plooien turen,
en de begerige wereld bekijken die op de loer ligt,
met zijn lange, druipende tong, wachtend op
de zwaksten van de kudde:  die falende ego’s
die voortschrijden op wankele benen.

Jij hebt mijn wereld verlaten,
verlaten nog voor ik jou w
witte afscheidshand kon vasthouden..
Maar toch zal ik je weervinden
evenals de hemelen die dun en wazig  onthullen
jouw eeuwig gelaat, jouw geduldige warme ogen,
jouw armen die mijn bange geest omhelzen.

(The Gone-ness of Mother)

* * *

SAM McGEE, NOG EEN KEER GECREMEERD

Het beeld van een  rusthuis ontrolt zich voor mij,
waar de ouderen zitten als genodigden in een park,
wachtend op een komend concert,
niet wetend dat het al voorbij is.  Misschien wachten zij
op een volgende, het Grote Concert, met de Mysterieuze Gast.

Hun gezichten zijn als oude herborenen: onschuldig, wit.
Weg zijn alle vlekken van een moraal,
rimpels van afgunst,
weg zoals de dagelijkse schmink die verdwijnt
in het wasbekken met de zeep en ’t ontsmettingsmiddel.

Weg zijn ook alle sporen van succes, prestaties,
overgelaten aan de nazaten, die ze begraven
in hun rommelige kasten,
en nu en dan tonen aan bezoekers.

Restjes van verbrijzelde hoop werden
weggeveegd door de geduldige, onverschillige tijd.  Berghokjes
van verdoken vreugdes en gestolen pleziertjes, zijn
ergens buiten bereik weggeborgen, en zelfs als zij ze
konden vinden, ontbreken de sleutels.

En daar takelt hij af, mijn vader,
gekrompen als een oude wollen trui,
gebonden aan zijn stoel, zoals ieder van ons
gebonden aan hem door draden van liefde, haat of beide.

Ik kijk in zijn half blinde ogen, zeg hem welk
volwassen kind ik ben.   Zijn gezicht opent zich
als een oude lederen portemonnee,
waarin munten glimmen van geluk.
Ik neem zijn twee handen vast op het tafeltje.

Hij glimlacht.  
Sedert wanneer ben jij hier?
Ik verzwijg wijselijk dat ik al twee dagen in de stad ben,
bang voor het ultieme moment.                
Net aangekomen, lieg ik.
Oh, En direct naar mij gekomen?
De munten schitteren.

Hoe voel je je?  En hoe is het eten?
Dan, na enige aarzeling, reciteert hij
De crematie van Sam McGee,
ratelt door de narcissen
zoals een gerimpelde scholier.
Ik trek aan zijn mouw.  Herinner jij je nog de liederen
die je speelde op jouw ukulele?
 Weeral een glinstering.

Ik zing voor hem
Hunkerend alleen naar jou.
Hij knikt, terwijl hij mee neuriet
met brokjes van woorden, flarden van geluiden.
Mijn mond verfrommelt rond
Dagen zijn jaren
geworden.  Het lachen vervallen in tranen.

Terug thuis zeg ik mijn moeder
hij is gelukkiger ginder dan hier
waar hij zijn medicamenten afwees
en vaak rood uitbarstte van woede.

Zij is niet overtuigd.  Zij trouwde als vijftienjarige
met hem
toen een snuggere jonge dorpsleraar.
Delen van wat zij is liggen ergens verscholen
diep in deze verschrompelde kleine man;
grote delen van mij zijn daar ook aanwezig,
half gecremeerd met de beenderen van Sam MacGee.

(Sam McGee, Cremated One More Time)

* * *

HIERNA

Zou het kunnen dat ik steeds nog hier kon zijn
wegsmeltend in seringenstruiken, loerend
in de bleke lelies, zingend in de oorschelpen
van dochters, vroegere geliefden?  Zingend in gangen,
fluitend in liften, zoals ik altijd al heb gedaan.

Zullen zij mij herkennen?  
Zeggen, zij is er.
Want hoe zou ik het kunnen verdragen niet hier te zijn?
Hier waar ik mijn gekregen talenten en gebreken  heb
geschud tot ik ze op hun plaats kreeg in dit leven van mij.

Zou ik nog steeds in mijn park kunnen zijn in de lente?
Lachen met de roze en purperen lippen
van de krokussen, op weg met de kanten gele gratie
van de narcissen?  Zou het nog lukken te botten in de hoge bomen,
en open te barsten in de bladeren van een heldergroene glimlach?

Zou het kunnen dat ik op een dag kon staan
in het gras op gewichtsloze voeten en leunen
op de schouder van iemand die mijn gedichtjes leest?
Zullen zij mij nog voelen als ik fluister,
ik ben hier, ik ben hier.

(Here After)


(geplaatst op 15-06-2009)

terug naar boven
IRENE LIVINGSTON (Canada)
keuze en vertaling: Henri Thijs
(c) The Pedestal Magazine
Copyright © 2002/ 2009 't Prieeltje Online. All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs.  Niets uit deze uitgave mag worden gekopieerd zonder
uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn trademarks van  Het Prieeltje,
Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de
schermresolutie van 1024 x 768