Copyright © 2002/ 2004: Het Prieeltje Online. All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden
gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn
trademarks van Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België). Tel. 013/33.55.16. Deze site kan best worden bekeken
met en werd speciaal geconcipieerd voor de standaardschermresolutie van 800 x 600.
JAMES FENTON(Groot-Brittanië)

DE DOCUMENTAIRE VERZEN VAN JAMES FENTON door
Henri Thijs
De Britse dichter en journalist James Fenton (°Lincoln, 21-04-1949) verwierf reeds als
student in Oxford zijn eerste literaire prijs met een bundel van 23 virtuoze sonnetten
“Our Western Future” (1968). Hij was politiek en literair medewerker van de New
Statesman, free lance reporter in Vietnam en verslaggever van The Guardian in de
Bondsrepubliek Duitsland. Als journalist werd hij vooral bekend door zijn verslagen
uit Vietnam en Cambodja: hij hielp bv. de vluchteling Someth May met diens
aanklagende memoires “Cambodian Witness” (1986). Pas vier jaar voordien brak hij
door naar een breder publiek met de bundel “The Memory of War and Children of
Exile” (1968-1983). Voordien publiceerde hij nog: “Terminal Moraine” (1972), “A
vacant Possession” (1978), en “A German Requiem” (1978).
Technisch zijn de gedichten van Fenton bijzonder knap; ze zitten vol humor, hartstocht
en echo’s van het wereldgebeuren. Dit laatste hoeft geen verbazing te wekken gezien
hij een zeer bereisd dichter is in de lijn van Byron en Auden. Vandaar dat voor zijn
poëzie in Engeland veel belangstelling bestaat. Naast poëzie en journalistiek was hij 5
jaar lang ook bedrijvig als toneelcriticus voor de Londense Sunday Times, wat
resulteerde in de verzamelbundel recensies “Your were marvellous” (1983). Een
lichtere toets werd door hem, samen met de dichter John Fuller, aangeslagen in de
bundel light verse “Partington Hall” (1987). In 1984 won hij de “Geoffrey Faber
Memorial” prijs voor zijn poëzie. Meer recent publiceerde hij een nieuwe bundel
essays “The snap revolution” (1986) en een reisgids met politieke ondertoon “All the
wrong places: A drift in the Politics of the Pacific Rim” (1988). In 1994 tenslotte
bekwam hij een leerstoel als professor in de poëzie aan de universiteit van Oxford, in
welke functie hij kort daarna een verzamelbundel poëzie liet verschijnen onder de titel
“Out of Danger”.
In het gedicht Duits Requiem dat Henri Thijs koos en vertaalde uit de bekende
Penguincollectie van A. Motion, komen de journalistieke en speelse ironische trekken
van de auteur zeer goed tot uiting. In korte journalistieke strofen wordt een
maatschappijvisie uitgewerkt die de herinneringen aan de rampen van de tweede
wereldoorlog duidelijk in de verf zet. Tegelijkertijd neemt hij de gelegenheid te baat
om ook een psychologische schets te tekenen van de kleinburgerlijke moraal in tijden
van oorlog en crisis. Aan de verleiding zich in duidelijke politieke of sociale
engagementen te verliezen, doet hij niet mee. Hij weet een nuchtere en zakelijke
afstandelijkheid te bewaren tot onderwerpen die nogal kies en gevoelig liggen bij alle
betrokken partijen in crisissituaties. De korte strofen in de aloude journalistieke en
orale traditie opgebouwd, helpen hierbij uitstekend. Interactiviteit laat hij vaak spelen
zonder in het minst persoonlijk betrokken te geraken bij de al of niet aanwezig geachte
plots. De wijze waarop hij zijn stellingnamen verwerkt - met negaties als stijlfiguren -
geven zijn ogenschijnlijk onschuldige verzen een expliciete kracht die boute uitspraken
en kritische denkbeelden verheffen tot een universele moraal waaraan niemand of niets
kan ontsnappen.
Inhoudelijk en vormtechnisch bekeken is “A German Requiem” een echte elegie
opgedragen aan zowel de overwinnaars als aan de verslagenen. Gebaseerd op zijn
observaties en verblijfservaringen in Berlijn en Urbino, is het gedicht in sé een nuchter
verhaal dat het bezoek aan een Duits kerkhof beschrijft in een speciaal voor de
gelegenheid gehuurde “shuttlebus voor weduwen” en dit om de gevallen slachtoffers
van de oorlog te herdenken. Het geheel wordt opgebouwd rond een serie van negen
korte fragmenten waarbij een verteller schijnbaar als een buitenstaander de gruwelen
verhaalt en becommentarieert van op een respectabele afstand. Nooit spreekt hij
daarom in de ik-vorm, maar verwijst steevast naar de actoren in termen van “hij, zij,
jij,...” Hij kiest bewust voor dit standpunt en vermijdt aldus te zeggen “wat niet kan of
mag gezegd worden”: m.a.w. hij roept oorlogsherinneringen op zonder ze te noemen.
Op die manier tekent het gedicht een psychoanalytisch portret van “de noodzaak van
het vergeten”.
Alhoewel het duidelijk een politiek gedicht is, vermijdt het op deze wijze elke politieke
connotatie of ideologie en stuurt het integendeel regelrecht aan op een “brede
consensus van de algemene diepmenselijkheid”. In die zin wordt het dan minder
betrokken partij dan objectieve waarnemer van de gruwelen van de geschiedenis.
Om dit alles als dichter zo te bewerkstelligen en haast wetenschappelijk te
onderbouwen met verzen die weliswaar vreemd maar ingenieus ontroeren, is een talent
vereist van het zuiverste gehalte. Niet voor niets wordt hij daarom alom geprezen als
“the major British poet” van zijn generatie.
DUITS REQUIEM
Het is niet wat ze bouwden. Het is wat ze
neerhaalden. Het zijn niet de huizen. Het
zijn de ruimten tussen de huizen. Het zijn niet
de straten die bestaan. Het zijn de straten die
niet meer bestaan. Het zijn niet de herinneringen
die je achtervolgen. Het is niet wat je hebt
neergeschreven. Het is wat je bent vergeten, wat
je moet vergeten. En met enig geluk vindt de
vergetelheid een ritueel uit. Je zult merken dat je niet
alleen staat in zo’n onderneming. Gisteren
scheen zelfs het meubilair je te verwijten.
Vandaag neem je plaats in de weduwenpendel.
*
De autobus staat te wachten aan de zuiderpoort
om je naar de stad van je voorouders te brengen,
die op de tegenoverliggende heuvel ligt te
glimmen even levendig als dit bekoorlijk plein van
je thuis.
Ben je verlegen? Je zou het moeten zijn. Bijna
zoals bij een huwelijk. De manier waarop je je
boeket vasthoudt en een kleine ruk geeft aan je
sluier. Oh, die afschuwelijke bruidsmeisjes,
het is normaal dat je een beetje boos bent op hen
die eerste dag.
Maar dat zal overgaan en het kerkhof is niet ver
af. Hier komt de chauffeur, die met zijn tong
tussen de tanden een laatste stukje tandenstoker
spuwt in een riool.
Kijk, hij heeft je niet eens opgemerkt. Niemand
heeft je gezien.
Het zal voorbijgaan, jonge dame, het zal
voorbijgaan.
*
Hoe gerustellend is het een of twee keer per
jaar samen te komen en de oude tijd te vergeten.
Als op die bijzondere dagen, dames en heren,
dat de smokinghemden samenkomen bij de grafrand
en een glimmende vest de tribune bestijgt.
Het gelijkt op een plechtig pact gesloten tussen
de overledenen.
Met een burgemeester die het tekende voor rekening
van de vrijmetselarij.
En een priester die het met zijn zegel bekleedt
voor rekening van al de overigen.
Niets dient daar nog aan toegevoegd en het is
beter zo op die manier.
*
Beter voor de weduwe dat zij niet moet
verderleven uit vrees voor een verrassing.
Beter voor de jonge man, dat hij niet
in vrijheid verder moet gaan tussen de
leunstoelen, beter dat al die gebogen figuren,
rondzwervend tussen de graven met nachtlantaarns
en de chrysanten opruimend, geen geesten zijn
maar naar huis gaan. De autobus wacht en
op de boventerrassen zijn de arbeiders bezig
met het ontmantelen van de lijkenhuizen.
*
“Dokter Gliedschirm, huidspecialist, raadplegingen
van 14 tot 16 u of op afspraak.”
Professor Sargnagel begraven te samen met twee
assistenten en de instructies voor handelaars om de
achteringang te gebruiken.
Op het graf van uw oom staat te lezen dat hij
woonde op de derde verdieping links.
En dat men werd verzocht te bellen zodat hij naar
beneden zou komen met de lift
waarvoor men een sleutel nodig had...
Zou naar beneden komen, zou ooit beneden
komen met de glimlach van iemand die zijn bekomst
heeft gehad en nooit veel te zeggen had.
Hoe hij slonk doorheen al die jaren.
En hoe hij torende over hem in de smalle kooi.
Hoe hij slinkt nu...
*
Maar kom. Verdriet moet zijn tijd hebben?
Schuld ook dan. En het schijnt dat er geen
grens is aan de vindingrijkheid van de
herinnering.
Zodat een man zou kunnen zeggen en denken:
toen de wereld het donkerst was,
toen de zwarte vleugels over de daken trokken,
(en wie kan zijn bedoelingen raden?) zelfs toen
was er altijd, altijd een vuur in deze haard.
Zie je deze kast? Een priestergat!
En in die rommelkamer zijn hele generaties
gehuisvest en gevoed geweest.
O, als ik zou beginnen, als ik zou beginnen
je te vertellen
de helft, een kwart, een greintje slechts
van wat we doormaakten!
*
Zijn vrouw hinkt en een schalkse glimlach
als een bries met genoeg kracht om een droog
blad te blazen over twee trottoirtegels, gaat
van stoel naar stoel.
Zelfs de informant is daarmee in zijn nopjes.
Het vergeet door te gaan op dat punt.
Het is niet wat hij wil weten.
Het is wat hij niet wil weten.
Het is niet wat zij zeggen.
Het is wat zij niet zeggen.
terug naar boven