Copyright © 2002/ 2004: Het Prieeltje Online. All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden
gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn
trademarks van Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België). Tel. 013/33.55.16. Deze site kan best worden bekeken
met en werd speciaal geconcipieerd voor de standaardschermresolutie van 800 x 600.
JOHN ASHBERY(USA)

SURREALIST VAN DE NEW YORK SCHOOL door Henri Thijs
John Asbery, Amerikaans dichter en kunstcriticus, werd geboren in Rochester, New
York op 28 juli 1927. Hij studeerde aan de Harvard University (waar hij deel
uitmaakte van de redactie van The Harvard Advocate) en Columbia University in New
York. Werkte voor uitgeverijen en was van 1960 tot 1965 kunstcriticus voor de
Europese editie van de New York Herald Tribune. Hoewel zijn experimentele poëzie
vaak ontoegankelijk lijkt, heeft hij in bepaalde literaire kringen toch een aanzienlijke
reputatie opgebouwd. Hij was trouwens de eerste Engelstalige dichter die de “Grand
Prix de Biennales Internationales de Poésie” van Brussel gewonnen heeft.
Daarenboven werd hij bekroond met de “Bollingen Prize”, “The English speaking
Union Prize”, de “Feltrinelli Prize”, de “Ruth Lilly Poetry Prize”, de “Lenore Marshall
Poetry Prize”, en talrijke andere prijzen. Hij was vroeger “Chancellor of The
Academy of American Poets” en is thans professor in talen en literatuur aan het Bard-
College.
Zijn werk is tamelijk omvangrijk en omvat volgende uitgaven: Turandot and other
poems (1953), Some trees (1956), The poems (1960), The tennis court oath (1962),
Rivers and mountains (1966), Selected Poems (1967, Sunrise in suburbia (1968,
Three Madrigals (1968), Fragment (1969), The double dream of spring (1970, The
new spirit (1970), Three poems (1972), The Vermont journal (1975), Self-portrait in a
convex mirror (1975, Pulitzer Prize), Vermont notebooks (1976), Houseboat days
(1977), Shadow train (1981), A wave (1984), Selected Poems (1985), April galleons
(1987), Hotel Lautréamont (1993), And the stars were shining (1994), Can you hear
Bird (1995), Wakefulness (1998), Girls on the run: A Poem (1999), Your Name
Here (2000). Daarenboven publiceerde hij Other Traditions: The Charles Eliot Norton
Lectures (2000), een boek over kunstkritiek Reported Sightings (1989); met James
Schuyler tenslotte publiceerde hij ook een roman A nest of Ninnies (1969) en was
uitgever van de bloemlezing The best American Poetry (1988).
Volgens John TRANTER in zijn werkstuk “The Three John Ashberys” dat we als
uitgangspunt nemen voor de hiernavolgende beknopte analyse van het werk van
Ashbery bestaan er in feite drie John Ashbery’s. De eerste is de jongen die opgroeide
tot een volwassen man die een geleerde en woordkunstenaar werd. Laten we hem de
Primaire of Wereldse Ashbery noemen. Na een jeugd doorgebracht op een
fruitboerderij in opper New York, voltooide hij zijn middelbare en universitaire studies
in Harvard. Stapsgewijs evolueerde hij naar een ander personage nl. dat van een
dichter; de dichter die al zwoegend jaar na jaar al die gedichten schreef en al die
bladen papier uit zijn Remington deed rollen verzameld in niet minder dan 16 bundels
op de boekenplank om door het publiek te worden benaderd en begrepen.
Maar vreemd genoeg is de dichter helemaal niet die jongen van weleer, maar een
andere persoonlijkheid. Wat zei Rimbaud ook weer? “Ik” ben iemand anders. En
deze “Secundaire Ashbery”, is niet zo zeer een persoon als een begenadigd schepsel,
die de gouden draden spint die critici en literatuurfanaten moeten trachten te ontwarren
en leren begrijpen. In zijn ivoren toren heeft men hem nooit weten te ontmoeten, noch
te spreken. Vrienden hebben slechts een glimp kunnen opvangen van dat onvatbaar
wezen, dat bij de minste toenadering plots onzichtbaar wordt en geheimzinnig
transformeert in een simulant. Want als men Mijnheer Ashbery ontmoet, spreekt, ziet
eten en drinken, luisteren en spreken, en hoort grappen maken, is het niet de gedichten
schrijvende persoon die men voor zich heeft, maar wel de man die eens het jongentje
was dat opgroeide op een verre boerderij, de Primaire of Wereldse Ashbery.
Deze wereldse verschijning stelt gewoonlijk een grote, breed geschouderde man voor
van tegen de zeventig die wat mankt loopt en met fijne en beleefde maniertjes en
alledaagse roddeltjes haast perfect een briljante, uiterst scherpzinnige geest weet te
verdoezelen. De Wereldse Ashbery heeft een voorliefde voor de oude Engelse poëzie,
het moderne Franse proza, en voor moderne kunst, ballet en muziek. Hij heeft zijn
rijpe jaren doorgebracht in Parijs en New Yorkstad. Wanneer hij voorleest uit zijn
boeken met die licht charmerende en satirische toon, lijkt hij bij momenten heel sterk
op de Secundaire Ashbery, d.w.z. de onzekere twijfelaar onder de leeslamp altijd
minutieus zoekend naar het juiste woord.
Dan is er ook nog de Tertiaire of Transcenderende Ashbery. Dit is degene waar de
mensen naar verwijzen als ze je vragen: “Heb je de laatste Ashbery gelezen?” of “Wat
denk je van Ashbery?” “Vind je hem beter dan Wallace Stevens?” De
Transcenderende Ashbery wordt gewoonlijk voorgesteld met alleen maar de
familienaam, als een complex beeldgegeven dat niets menselijks heeft: hij heeft dan
ook weinig vandoen met elk van de andere Ashbery's en leidt een grotendeels
onafhankelijk bestaan.
Zijn imago kreeg stilaan vorm en steeg op uit de mist van persoonlijke onbekendheid
om zich te ontwikkelen tot een schitterende ster van algemene erkenning mede
geholpen door de publicatie van "An anthology of New York Poets". Deze
verzameling, uitgegeven door de jongere dichters Ron Padgett en David Shapiro en
gepubliceerd in juni van 1970, bracht zijn gedichten op het voorplan van de zgn. New
York School en plaatste hem voorop als de vaderfiguur van een generatie dichters
zoals Edwin Denby, Kenneth Koch, James Schuyler en de onlangs overleden Frank O’
Hara.
Deze Transcenderende Ashbery onderging verschillende adaptieve gedaante-
verwisselingen naarmate hij het voorwerp werd van verscheidene appreciaties,
ongunstige en goedkeurende, als gevolg van het feit dat zijn "Self-portrait in a Convex
Mirror" in 1975 zomaar eventjes de drie grootste literaire prijzen wegkaapte die
dichters kunnen ten deel vallen, nl. de Pulitzer Prijs, de National Book Critics Circle
Award en de National Book Award.
Waar heeft de Transcenderende Ashbery het nu over? Waar draait het allemaal om?
Hij heeft het over het weer, waar hij in het bijzonder bomen, bladeren en horden vogels
bij betrekt. Hij heeft het over schaduwrijke avonden in verlaten schoolpleinen, waar
de leraar alleen in een lege klas met het spookbeeld van een verloren of dode jongen
dat langzaam oplost in een mysterieuze hoek wordt geconfronteerd. Hij heeft het ook
over de zgn. “lacustrine”, een latijns woord dat hij opdoekte uit het woordenboek om
te gebruiken als titel van een van zijn gedichten:”Al die Lacustrine Steden”: hier draait
alles om meren, zwembaden, rivieren, kusten, de golven van de oceaan. De
transcenderende Ashbery betekent ook kunst, potten verf, bloemvazen, party’s,
scènes van een ballet, opvoeringen van onmogelijke muziekpartituren en verre ritten
over de toendra. Hij refereert ook naar boerderijen in de aard van deze waarin hijzelf
opgroeide als jonge snaak in de nabijheid van de kusten van het Ontariomeer in opper
New York: koud, donker en stil in de lange wintertijd, met grillige klimaatwisselingen
en vele migrerende vogels.
In deze rijkdom van zowel een natuurlijk als cultureel erfgoed, vormen zijn geschriften
een voortzetting van een lange traditie aangevangen door de romantici - een dialoog die
de vloed van natuurlijke en sociale krachten meet en samenweeft in een reeks van
begrippen die de metafysica en de literatuur samenknijpt tot een kritische massa die
een glans van betekenis uitstraalt. Hij is de welsprekende theoreticus die de
allesomvattende term ORGANISCHE VORM uitvond als basiskenmerk van de
romantiek.
De thema’s in het werk van Ashbery zijn quasi identiek als deze behandeld door zijn
voorkeurdichter Wallace Stevens. Beide dichters schrijven over het enigma van de
geest die zich almaar hypothesen vormt over de ultieme en ware aard van de natuur der
dingen. Stevens nam immers aan dat we nooit de echte kern van de werkelijkheid
kunnen benaderen. Of men deze laatste nu aanschouwt als een kleurloos, neutraal
continuüm, zoals de grijze nevel op een winteravond, of als een jubelend festival van
concrete, particuliere identiteiten zoals een ochtend van juni vol vogelgezangen, men
vormt zich in beide gevallen slechts een beeld van de werkelijkheid...
Ashbery borduurt voort op deze grondgedachte door te stellen dat men onmogelijk
een betrouwbaar beeld van de werkelijkheid kan schetsen. Anders gezegd, voor
beide auteurs, Ashbery en Stevens, blijft de verbeelding een verwekker, vernieler en
herschepper van de werkelijkheid. Zij vertegenwoordigt steeds maar “een visie” van
de werkelijkheid, nooit het wezen ervan zelf.
In interviews ontkent Ashbery formeel dat hij parodieert. Wel neemt hij verschillende
stijlen en spreekgewoonten van verschillende mensentypen tot zich gaande van
hedendaagse journalistiek, copywriting, bureaucratisch jargon, zakelijke memo’s naar
krantenstijlen, psychologische teksten en dergelijke. Daar waar al deze stijlen
betrekkelijk gratieloos en inactief blijken op het literaire forum, worden ze herboren in
een zekere, bewuste ironie die de verzen van Ashbery’s gedichten kleurt. Deze
ironische duiding wordt nog geïntensifieerd door het overvloeien van een stijl in de
andere tot een contrasterend geheel. Hij hanteert een zgn. “vloeistijl”. Een
gelijkaardige ironie wordt vertolkt door zijn zelfbewuste keuze van het gebruik van
gemeenplaatsen. Hiermee wil hij resoluut zijn vrees gestalte geven dat in al onze
gedachten en gesprekken wij hopeloos terechtkomen in de val van reusachtige clichés.
Onze geesten blijken in zijn overtuiging niet bij machte de inherent aanwezige codes
van de loutere conventies te overstijgen. Precies zij zijn het die ons scheiden van een
heldere perceptie van de werkelijkheid. Dat dit meer dan wanhopig klinkt, is zonder
meer duidelijk. Maar zijn attitudes en emoties uitgedrukt in verzen zijn zo
onbeschrijfelijk galant geformuleerd in een ontspannen, relaxerende taal door het
vermengen van humor met pathos, resignatie met hoop, dat het wanhopige hoopvol
klinkt als een wondermooi en beeldrijk gevecht met het fatum van het menselijk
bestaan.
VIJF GEDICHTEN VAN JOHN ASHBERY
vertaald door Henri Thijs
ENKELE BOMEN
Deze zijn geweldig: knus
met elkander, alsof taal
steeds een vertoning zou zijn.
Als een bij toeval georkestreerde
ontmoeting deze morgen
in de lijn van 's werelds verwachting
zijn jij en ik plots
wat bomen proberen ons
duidelijk te maken:
dat hun louter bestaan
iets te betekenen heeft; dat weldra
contacten, liefde, gesprekken
mogelijk worden.
En blij zulk een scherpzinnigheid
niet te hebben uitgevonden,
worden wij ingekaderd:
een stilte gevuld reeds met geluiden,
een schilderij waarop een koor
van gelach, een wintermorgen te zien is.
Opgenomen in een verbijsterende klaarte, en in vervoering
leggen onze dagen zulk een zwijgzaamheid op,
als om hun eigen weerstand zo te beklemtonen.
(SOME TREES)
EEN BLOEMENVAAS
De vaas is wit en kon een cilinder zijn
als de cilinder breder was aan de top dan op de bodem.
De bloemen zijn rood, wit en blauw.
Elk contact met de bloemen is verboden.
De witte bloemen reiken naar boven
naar de bleke lucht van hun referenties,
licht gestuwd door de rode en blauwe bloemen.
Als jij meent jaloers te moeten zijn op de bloemen,
vergeet het dan maar.
Zij betekenen absoluut niets voor mij.
(A VASE OF FLOWERS)
GEDACHTEN VAN EEN MEISJE
"Het is zo een prachtige dag dat ik je een brief
moest schrijven vanuit de toren, om je te tonen
dat ik helemaal niet gek ben;
ik slipte even op een zeepstuk van de lucht
en verdronk in de badkuip van de wereld.
Jij waart te goed om veel te moeten wenen over mij.
En nu laat ik je gaan. Getekend. De Dwerg."
Ik kwam laat in de namiddag langs
en de lach speelde nog steeds op haar lippen
zoals eeuwen geleden. Zij wist altijd goed haar
uiterlijk te verzorgen. Oh, mijn dochter, mijn schat,
dochter van mijn vroegere werkgever, prinses,
moge je niet lang onderweg zijn!
(THOUGHTS OF A YOUNG GIRL)
ONZE JEUGD
Van bakstenen... Wie bouwde ze ? Als een dolle ballon
wanneer liefde legt op ons
haar nachten...Het fluwelen trottoir plakt aan onze voeten.
De dode hondjes richten ons terug op liefde.
Waar we zijn. Soms
leidden de stenen bogen naar een kamer als een luchtbel die openspatte
bij het binnenkomen.
En soms naar een gevallen blad.
We werden krankzinnig van emoties, als we toonden hoeveel
we wel wisten.
De Arabieren brachten ons. Wij kenden
de dode paarden. Wij ontdekten koffie,
hoe het was heet te worden gedronken, blootsvoets
in Canada. En de immorele muziek van Chopin
Die we al verscheidene maanden hadden ontdekt
van toen we veertien jaar oud waren. En de koffiegronden
en het wonder van de handen, en het wonder van de dag
wanneer het kind haar eerste dode hand ontdekt.
Weet jij dat ? Heeft zij ook
jou niet geobserveerd? Ben jij niet geobserveerd geweest voor haar?
Goeie genade, de bloemen misschien. Zit het kwaad
erin? Welk venster? Wat zei je daar?
Heh, eh ? Onze jeugd is dood.
Vanaf het ogenblik dat we haar ontdekken met gesloten
ogen, voortschrijdend in het berglicht
Euch... Nooit zul jij die kleine jongen hebben,
Die jongen met de monocle
had uw vader kunnen zijn.
Hij komt voorbij. Neen, die ander daar,
boven. Hij is het die jou wou zien.
Hij is dood. Groene en gele zakdoeken bedekken hem.
Misschien zal hij wel nooit vergaan, ik merk
dat mijn moeders kleren droog zijn. Ik stap op nu.
Het naakte meisje steekt de straat over.
Blauwe korven... Explosies,
Ijs... De belachelijke
porfiervazen. Alles dat onze jeugd
niet kan gebruiken en waarvoor ze geschapen was.
Het is waar dat we ons lot niet zijn ontlopen
door de oude mensen uit te wieden.
Onze gezichten zijn gevuld met rook. We ontsnappen
onder aan de wolkenladder, maar het probleem
is niet opgelost.
(OUR YOUTH)
terug naar boven
(© 1996 L. Glazier, Buffalo)
|