Copyright © 2002/ 2004: Het Prieeltje Online. All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden
gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn
trademarks van Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België). Tel. 013/33.55.16. Deze site kan best worden bekeken
met en werd speciaal geconcipieerd voor de standaardschermresolutie van 800 x 600.
Galway KINNELL (N-Amerikaanse Poëzie)
|
Galway Kinnell werd geboren op 1 februari 1927 in Providence, Rhode Island. Hij deed zijn
middelbare studies in Princeton en bekwam zijn Master of Arts-diploma aan de Universiteit van
Rochester. Hij diende in de marine en onderwees de techniek van het schrijven aan talrijke
scholen in heel de wereld evenals aan diverse universiteiten in Frankrijk, Australië en Iran. In de
States was hij lange tijd directeur van het Creatief Schrijfprogramma aan de Suny Binghamton en
de universiteit van New York. In 1983 won hij de prestigieuze Pulitzerprijs voor Poëzie. Later
werd hij nog bekroond met diverse andere prijzen. Hij woont in Vermont en New York.
Ofschoon de dichter aanvankelijk zeer klassieke en traditionele poëzie schreef, komt er in zijn
later werk een duidelijke ommekeer en schrijft hij in een meer vrije stijl. Zijn poëzie is een
reflectie van zijn eigen ervaringen en van zijn innerlijk ego. Hij heeft het gewoonlijk over de natuur
en de relaties tussen de mensen, alsook over thema’s als dood en leven en over de ervaringen en
lessen die men opdoet in het dagelijkse leven. Zelf zegt hij over zijn schrijfkunst: “Poëzie is een
gezang over wat er gaande is op onze planeet. Hoe ik kwam tot het schrijven van poëzie is zelfs
voor mij een klein mysterie. Ik weet dat ik ben begonnen van poëzie te houden toen ik in de
boekenrek van mijn ouders een kleine bloemlezing ontdekte met gedichten van Edgar Allan Poe.
Het accent van mijn thuisstad (Rhode Island) is eerder onpoëtisch. Het is wel een zeer bekoorlijk
en aangenaam accent, maar in het geheel niet muzikaal. Te ontdekken dat deze taal zo zangerig
kon zijn heeft mij enorm aangetrokken. Ik had een bijzonder eenzame jeugd, niet in de zin van
gebrek aan gezelschap, maar een gebrek aan werkelijke relaties en geholpen door mijn van nature
uit nogal verlegen karakter, werd ik bijzonder aangetrokken door de eenzaamsten onder de
poëten zoals Dickinson en Poe. Wat een persoon leidt naar de poëzie is een innerlijk bestaan dat
worstelt met de een of andere stormachtige activiteit, een gewicht van betekenis en gevoelens dat
ergens een uitlaat zoekt. Als dichter verlang ik niet naar iets specifieks, maar altijd word ik
geconfronteerd met iets dat bijna niet uitspreekbaar is en gedichten zijn pogingen om dat beetje
bij beetje uit te spreken, als een last die stukje voor stukje moet worden neergelegd en niet zo
maar ineens kan worden afgeworpen ”.
BEELDEN OVER HET HOEDEN VAN BLOEMEN OP DE BERG
MONADNOCK
vertaald door Henri Thijs
I
Ik verdraag niet langer
dit droevig lachen met mezelf
voor alles wat ik denk te hebben geleden
in mijn slaap. Vervloekte dromer die ik ben!
Dit is New Hampshire
bij het ochtendgloren.
Nadat de nachtegaal zong zijn lied
neemt een diepe ijlte alles over.
II
Het gezang van de pauwenstaartvogel slaat til
zoals een naald vijf keer in de lucht geprikt.
Het doorboort op geijkte toon tal van bladeren.
De lucht is zo roerloos
dat het liefdesgekwetter van de vogels
hangen blijft aan de takken van de bomen.
III
Wat ik mij het laatst herinner
is een bloem die onaanraakbaar is
ofschoon haar bloesem heel de dag
opgehitste, verdwaalde bijen aantrekt.
IV
Al klimmend, voel ik de zweetdruppels in mijn ogen.
Een ogenblik denk ik aan de zee te zijn.
De zomer op Kaap Ferrat waar we staande in de branding
een zwarte meeuw zagen zwoegen naar de dageraad.
Waar ik ga springen verschrikte sprinkhanen op,
de berglaurier crasht op mijn dijen.
V
Er is iets speels in de elegieën
van vogels. Zij lijken
gevangen te zitten in een formele vreugde
al koert de treurende duif uit wanhoop.
Maar uiteindelijk rijzen uit de duizend elegieën
de doden in onze harten.
Op de grens van ons geluk stoppen we bijtijds
zoals iemand die bijna dronken begint te wenen.
VI
Ik kniel bij een zwembad en kijk door mijn gelaat
naar de vermeende bacteriën in het mos.
Mijn gezicht ziet mij, het water verroert, het gezicht,
bezorgd kijkend eerst, wordt dan ruw van zijn gebeente ontdaan.
VII
Ik woog elf pond
bij de geboorte na
twee extra weken doorgebracht in de moederschoot.
Gelokt door ruimte en verse lucht
kwam ik te voorschijn als
een stoere politieagent,
met blauw gelaat en rode spleetogen.
Acht dagen duurde het nog
vooraleer de dokter me bij mijn moeder legde.
Mij kerend en rekkend in de wingerds,
kan ik door de bladeren
de oude, schimmige nietigheid van de heuvel
zien.
VIII
Groene, geschilferde elandenbossen verheffen zich,
bewoners van het geschifte paradijs.
Bij elke windstoot pletst de
nachtelijke regen van de blaren.
Hij valt in vlagen en gaat liggen
in de voetstappen van een of ander nieuw begin.
IX
Vanop een rots breekt een waterval
stromend in een streng van draden
open in parels.
Ik weet dat de vogels wegvliegen,
maar de omhelzing van de aarde
pakt met mos hun graven en de reuze keien in.
X
In het bos ondek ik een bloem.
Het onzichtbaar leven van het ding
gaat op in vlammen die onzichtbaar zijn,
zoals cellofaan brandend in het zonlicht.
Het brandt op. Zijn drijfveer is niets te worden.
In zijn leger heeft een weg gevonden
om zich te uiten in plaats van zichzelf.
Zijn bloesems wenden voor te vloeien in het keizerrijk
als een grimmige aanwezigheid op het waas van de grond;
De roep naar de hemel verstomt.
De bloembladen vallen een na een in zelflijdzaamheid.
Een bloem is het stervend op deze bergwand.
(FLOWER-HERDING PICTURES ON MOUNT MONADNOCK)
(geplaatst op 04-02-2004)
terug naar boven
