Copyright © 2002/ 2004: Het Prieeltje Online.  All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden
gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn
trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken
met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.  
De Amerikaanse auteur Myron Magnet is de uitgever van de “City Journal”, een
driemaandelijks magazine voor Stadszaken van het Manhattan Institute.  Hij
schreef columns over de meest uiteenlopende onderwerpen gaande van sociale
politiek, economie, naar Amerikaanse maatschappijkritiek en literatuur.  Hij is in
zijn land vooral bekend als vlijmscherp analist die zijn artikelen weet te stofferen
met een grote belezenheid en parate dossierkennis.

Aristoteles ging blijkbaar niet ver genoeg met te stellen dat het treurspel meer filosofisch
getint is dan historisch, omdat het zich veel meer concentreert op wat zal komen dan of
wat voorbij is.  Hij kon nog verder zijn gegaan door te beweren dat het treurspel – of
nog ruimer de literatuur – filosofischer van aard is dan de leer van de filosofie zelf. Zij, de
literatuur dus,  is een vorm van kennis die al onze wijzen van weten mobiliseert en dus
niet alleen de “redenering” onder haar hoede neemt.  En bovendien is zij een nog intenser
vorm van kennis, sinds zij, in tegenstelling tot de filosofie, niet altijd constant haar eigen
polsslag meet , of haar instrumenten controleert, en zichzelf bang afvraagt hoe zij dit of
dat kan weten.  Zoals Dickens het verwoordde is het zo dat de literatuur het gewoon
weet en daarmee uit.  
Twee of drie decennia geleden werd het axioma dat literatuur over een belangrijk
kennismoratorium beschikte als een voldoende waarheidsgegeven universeel
geaccepteerd. In het algemeen was het voor iedereen duidelijk dat literatuur een
“magazijn was van documentaire kennis”.  Zij kon ons leren hoe anderen leefden – de
Grieken, de mensen uit de Middeleeuwen, onze eigen tijdgenoten: hoe men elkander
beoordeelde, wat men beschouwde als goede manieren, hoe men verliefd werd, en het
familieleven eruit zag, hoe men de maatschappij opbouwde, wanneer men at, hoe men
opgroeide en zijn plaats opeiste in de wereld van de volwassenen.
En dat was nog  maar het topje van de ijsberg.  Literatuur leert ons ook meer over
psychologie dan de  psychologen zelf ons kunnen bijbrengen.  Het innerlijke leven – en
vooral zijn relatie met het uiterlijk voorkomen, waarvan het vaak (en spreekwoordelijk)
zeer sterk verschilt – is een bevoorrecht onderwerp van de literatuur.  Het is een
bijzonder complex item, dat motieven en impulsen door elkaar weeft naarmate
voorkeuren worstelen met idealen, het bewustzijn de externe realiteit registreert en
verstoort tegelijkertijd, natuurlijke drijfveren sociale ambities doorkruisen en het
universele in onze natuur zich modelleert naar de gewoonten en zeden van een bepaalde
eeuw.
Hier ontpopt zich de grote zwakte van de literatuur – namelijk het feit dat ze in
tegenstelling tot de filosofie onsystematisch is – precies tot haar grote kracht.  Zij
mobiliseert onmiddellijk al onze faculteiten van kennis: niet alleen onze bekwaamheid om
de uiterlijke wereld te analyseren maar ook onze introspectie en intuïtie.  Wij kunnen
begrijpen wat er omgaat in de harten van anderen omdat we weten wat onze eigen
harten beroert en wat er in de hunne kan misgaan.  Als een auteur de innerlijke
spanningen van zijn figuren en karakters verbeeldt, klinkt zijn beschrijving zo vertrouwd
voor ons omdat wij analoge impulsen hebben ervaren of dezelfde situaties hebben
gedroomd, en verder, onszelf kunnen associëren met begrippen buiten ons
bevattingsvermogen. Intuïtief refereren  we immers naar de complexe interne mix: de
simultane interactie van gevoelens, gedachten, geloofssovertuigingen en hoop, van
bewuste en sublieme drijfveren – zoals medeleven zich linkt met sociale angstgevoelens,
of laten we  zeggen met eros of ijdelheid of een plots inzicht om een karakter aan te
zetten zich te gedragen zoals het zich gedraagt.  Literatuur is de grote school van de
motivatie: zij leert ons hoe,  in de wirwar van drijfveren in ons binnenste, wij de keuzes
maken die ons bepalen en ons lot  bezegelen.
En zij maakt voor ons de gevolgen van deze keuzes aanschouwelijk.  Leiden zij naar
geluk of naar miserie, naar deugdelijkheid of niet – en voor wie?  Wat produceren de
kneepjes van Menelaus en de boosheid van Achilles?  Wat gebeurt er met de ziel van de
man die  een “nutteloze” oude pandjesbaas doodt – of op aandringen van zijn echtgenote
– de koning van Schotland?
Deze keuzes hebben gevolgen niet enkel voor de individuen maar vaak ook voor de hele
sociale orde.  Zo stelt de literatuur op vele niveau’s vragen zoals: Hoe moeten wij leven
?  Wat is de juiste aanpak voor een mens?  En bij deze vragen hoort ipso facto ook de
volgende vraag: Wat is de aard van de menselijke natuur en welke attitudes en
beperkingen ontwikkelt ze voor het soort leven dat men kan kiezen?   Hoe realiseren wij
ten volle alle potentialiteiten van uitmuntendheid en geluk die de natuur ons ingeplant
heeft?  Daarom, als toemaatje van haar rijke complexiteit, die erin bestaat al onze wijzen
van kennis onmiddellijk uit te pluizen, neemt zij ook nog het dubbel perspectief  van het
persoonlijke en het sociale onder de loep en onderzoekt zij weliswaar impliciet de wijzen
waarop deze twee gebieden interfereren en elkaar beïnvloeden, zoals in de muziek waar
vele verschillende stemmen onderling samenspannen om een grote harmonie te vormen
die de som van de delen overstijgt.
Literatuur is een conversatie door de eeuwen heen over onze ervaringen en onze natuur,
een conversatie waarin, alhoewel er geenszins unanimiteit heerst, een verrassend grote
ruimte van overeenstemming bestaat.  Literatuur voegt in deze materies aan de
geaccumuleerde wijsheid van het ras de som van onze reflecties over ons bestaan toe. Zij
begint met observatie, rapportering,  om dan de feiten van onze innerlijke en uiterlijke
realiteit bloot te leggen met een accuratesse aangescherpt door de verbeelding.  Op haar
hoogtepunt toont zij verder hoe deze feiten onderlinge coherentie vertonen en ten slotte
ook betekenis en zin hebben. Door te laten zien wat in feite gebeurt met concrete
individuen die proberen hun leven vorm te geven onder het geweld van zovele
imperatieven, vergast zij ons op concrete en particuliere uitingen van universele
waarheden. Want, zoals de grootste auteurs maar al te goed weten, moet het universele
worden belichaamd in het particuliere waar het, na te zijn ondergedompeld in de
complexiteit en contradictie van de reële ervaring, de klaarheid en luciditeit verliest die
enkel abstracties kunnen bezitten.  
Men zou kunnen besluiten uit het voorgaande dat het wezen van literatuur eigenlijk maar
een rijk van opinies is, niet van kennis.
En net deze stelling heeft in de voorbije halve eeuw volgens literaire critici de waarde van
literatuur letterlijk aangevreten.  Hoe kan de literatuur in het licht van de wetenschap, met
zijn spectaculaire verwezenlijkingen en zijn ontegensprekelijke experimentele waarheden,
bijdragen tot de waarheid?  Was zij niet enkel boeiende fantasie die op termijn efemeer
van aard is en zelfs als nutteloos wordt ervaren?  En als iemand iets wou te weten komen
over de  facetten van de wereld waarover de literatuur veronderstelde iets te kunnen
verklaren, dan had men toch de “humane wetenschappen” – zoals de sociologie,
psychologie en antropologie – die volgens hun beoefenaars althans met professionaliteit
en gezag beter kennis konden bijbrengen dan de amateuristische literatuur.
Maar opgelet!  Wij moeten de beweringen van de humane wetenschappen, zelfs die van
de exacte wetenschappen soms, skeptisch benaderen.  Té veel studies en rapporten, met
bijlagen gevuld met tabellen van gegevens, zijn komen aandraven met zogezegde
“waarheden” over welvaart, politiek, sexuele opvoeding en dies meer maar hebben in
feite niets anders aan het licht gebracht dan de uitgesproken vooroordelen van de
onderzoekers zelf.  Voor mij kwam de ontreddering het meest toen ik voor het maken
van een opstel over zure regen (waarover ik totaal niets wist) voor een tijdschrift de
leidende klimatologen van de natie moest interviewen en tot de constatatie moest komen
dat er niets te rapen viel dan persoonlijke ideologische stellingnames van de
wetenschappers en hoegenaamd geen wetenschappelijk verantwoorde data zoals ik
eerst verwachtte.  Toen ik daarenboven enkele jaren geleden vernam dat academische
paleontologen met mekaar helemaal overhoop lagen over de theorie van de uitroeiïng van
de dinosaurussen door een gigantische meteoorinslag – theorie die moest dienen als
model voor de gevolgen van een zogenaamde nucleaire winter – groeide mijn
skepticisme uit tot regelrechte bitterheid.
De sociale wetenschappers zitten opgescheept met een mantra:  “Het geheel van de
anekdotes kan nooit een geldig wetenschappelijk gegeven opleveren”.  Ik denk dat ze
zich vergissen.  Een accumulatie van waarheidsgetrouwe verhalen over hoe de menselijke
wereld in elkaar steekt, verhalen verteld en vertaald in een interpretatie, voegen meer toe
aan de kennis en wetenschap dan andere onderzoekingen.  Data zijn in het algemeen
totaal “betekenis- en zinloos” tenzij we een verhaal kunnen uitdenken dan hen een
contour en bestaansreden geeft, en dat doet nu precies de literatuur met de data van de
menselijke ervaringswereld.  Noodzakelijk is de wijsheid.: de kunst om te kijken in het
hart van de dingen.  Dit is de soort kennis die Plato zo poëtisch heeft beschreven in een
van zijn meest literaire filosofische beschouwingen nl. de allegorie van de grot: de kennis
die doorheen de wereld van de schijn en uiterlijkheden de Waarheid ziet, waarvan de
uiterlijkheden slechts een emanatie zijn – een kennis die een levenslange studie van de
rede vereist en dan in een flits van intuïtie plots opduikt, omdat de Waarheid in onszelf
resideert, in een innerlijke natuur die we slechts kunnen waarnemen door introspectie en
intuïtie,.  En dat is nu precies de kennis – een kennis kunnen we zeggen die zetelt in onze
zielen alsook in onze geest – die de grote literatuur voortbrengt.
Het is een kennis die  - niet minder dan bij de wetenschappelijke confrater - ook zijn
praktische bruikbaarheidscodes oplevert, niet door computers of ruimtecapsules in
elkaar te steken, maar door een beschaving op te bouwen.  Zij bepaalt bijvoorbeeld wat
het betekent om mens te zijn, door de waarden, idealen en het cultuurweb op te voeren
dat ons onderscheidt van de dieren.
Vier kleine voorbeelden kunnen dat illustreren.  Beginnen we met Sofocles wiens
Oedipus Rex aan de basis heeft gelegen van onze traditie.  Een man bedrijft twee
vreselijke misdaden – universeel vreselijk en dus niet alleen slecht  gemeten met de
standaarden van deze of gene maatschappij.  Maar hij wist niet dat hij ze bedreef; hij
wist niet dat de man die hij doodde zijn vader was of dat de koningin waarmee hij huwde
zijn moeder was.  Niet beseffend wat hij deed had hij zeker niet de intentie om deze
misdrijven te plegen.  Bovendien was hij gedoemd om deze vreselijke dingen te doen
omdat het orakel het reeds bij zijn geboorte had voorspeld.  Zo, in het licht van al die
verzachtende omstandigheden die zijn misdrijven omringden, stelt zich de pertinente
vraag of hij wel verantwoordelijk was?
Sofocles antwoordt met een uitgesproken ja.  Want wat het betekent een mens te zijn
toont hij door de verantwoordelijkheid voor onze daden te leggen op onze schouders.  
In een wereld van onzekerheid en toeval, waar zoveel buiten onze controle valt, kunnen
we alleen op deze manier tonen dat we morele wezens zijn met een vrije wil, wier
handelingen zin hebben en niet zo maar een uitvloeisel zijn van de stroom en verwarring
van een wilde scheppingsdrang.  Dit is natuur-lijk een harde leer.  Deze leer van het
aanvaarden van verantwoordelijkheid maakt daarom van Oedipus en echte en tragische
held, met de klemtoon op beide adjectieven.
Begeven we ons nu twee millenia voorwaarts naar een andere dramatische situatie alsof
we ons verplaatsen naar een andere planeet, nl. de wereld van Mozarts komische opera
Cosi Fan Tutti.  Het libretto, geschreven door Lorenzo da Ponte - die ook de libretto’s
schreef voor Don Giovanni en Figaro’s Bruiloft – vertelt het eerder saaie verhaal van een
weddingschap tussen twee knappe jonge mannen en hun cynische oudere vriend.  Jullie
twee vriendinnen, beweert de oudere, waarvan jullie denken dat ze toonbeelden van
trouw zijn, zullen jullie bij de eerste de beste test bedriegen.  Doe maar eens alsof jullie
worden opgeroepen naar de oorlog en kom dan terug verkleed als edele Albanezen en
jullie zullen zien hoe het afloopt.
Het resultaat kennen we natuurlijk.  Maar wanneer de jongens voorwenden om te
vertrekken naar de oorlog zingen de vrouwen zulk een doordringend mooie klacht over
het verlies en het afscheid (want we zitten in een literaire context van eerste orde) dat we
weten dat hun liefde echt is zelfs als zij later toch vallen voor de veronderstelde
Albanezen en zo blijken -  tijdelijk - ontrouw te zijn.  En wat de opera aantoont is dat
vanuit het ene gezichtspunt een knap uitziende jongen heel erg gelijkt op een andere, en
vanuit het andere gezichtspunt de persoon die wij kiezen uniek is en speciaal en alleen
bestemd voor ons.  We zijn wezens met een dierlijk instinct, maar we dirigeren dat wilde
instinct naar een act van bindende keuze, wij transformeren het natuurlijke in het humane
en scheppen een nieuw gebied van gevoelens en zin in dat proces.  
Cosi fan Tutti wordt praktisch elk jaar ergens uitgevoerd, en Jane Austin’s Emma , een
kwarteeuw later gepubliceerd,  is al een even grote blijver.  Gwynett Paltrow vertolkt de
figuur in de  recente filmversie ervan en Alicia Silverstone speelde dezelfde rol in de
aangepaste versie Clueless.  Niet verwonderlijk dus dat dit verhaal een
eeuwigheidswaarde krijgt.  Het basisgegeven van het verhaal is nochtans een handeling
van slechte zeden: Emma beledigt een familievriendin, Miss Bates, en raakt daarmee haar
gevoelens.  Nu is Miss Bates wel een soort vervelende oude kletstante die met haar
eeuwig getater over familievetes danig op de zenuwen kan werken telkens men ze
tegenkomt, maar in de grond is ze een vriendelijk en braaf vrouwmens.  Toegegeven ook
dat Emma’s uitlating niet kan tippen aan wat je tegenwoordig hoort en ziet tijdens TV-
shows of zelfs in de straat de dag van vandaag: haar verwijt is eigenlijk maar een
sarcastische opmerking over Miss Bate’s loslippigheid.  
Maar Emma’s liefdespartner roept haar op het matje voor haar gedrag:  zij staat aan de
top van de sociale rangorde in haar kleine stad en als zij Emma niet met het nodige
ontzag behandelt zullen andere in haar spoor volgen en de arme, afhankelijke en
goedhartige persoon beledigen.  Omgangsvormen zijn niet onbelangrijk, zij vormen een
segment van de moraal, een deel van de code – dat cultuurweb opnieuw – waardoor  
wij in staat te zijn te harmoniëren met onze omgeving.  Manieren en zeden vormen een
ander sleutelbegrip van het humaniserend project waarmee wij eten omzetten in dineren,
seks in romantiek en hofmakerij, en onze dagelijkse interacties in gelegenheden tot
coöperatie eerder dan tot conflicten.
Vandaag natuurlijk zouden velen opwerpen dat dit alles fake is en overdreven, en dat we
moeten handelen zoals we zijn zonder ons te bekommeren om de regels van
welvoegelijkheid en conventies.  
We eindigen met een laatste voorbeeld.  Dat van een vroege roman van Dickens, Martin
Chuzzlewit, die zijdelings handelt over het hier aangehaalde onderwerp.  Wil je weten
hoe mensen eruitzien die volgens hun natuur handelen los van alle hoffelijkheden?  Fijn,
zegt Dickens, laat ons dan eens naar de Amerikaanse grens begeven (die hij in
werkelijkheid ook bezocht in 1842).  Het natuurlijke landschap, ver van een Tuin van
Eden te zijn, is een ziekteverwekkend moeras; de inwoners, die zichzelf de edellieden
van de natuur noemen, zijn ruw, bedrieglijk en gewelddadig.  Zij dragen allen geweren en
messen – en hebben er geen probleem mee om anderen in de slavernij te dompelen.  Als
je iets beters wil, zegt deze grote romancier van de moderne stad, ga dan terug naar
Londen, een alternatief rijk van de natuur, een door mensen gemaakte plaats, waar je de
paarden hoort stampen en hinniken niet op de velden maar in ondergrondse stallen, waar
je sinaasappels ziet niet op de bomen maar in kratten gedragen door de straten het hele
jaar door, waar bloemen bloeien in potten op hooggelegen vensterdorpels, waar de rook
van de schouw schept zijn eigen onnatuurlijke atmosfeer.  Want dit is een omgeving die
wonderbaarlijk is voor de mens.  Hij is als een serre in wier gecontroleerd klimaat de
mens zijn eigenheid maximaal kan laten ontwikkelen.  Want het is nu precies in dit
artificieel, zelfgemaakt rijk – een sociaal rijk waarin mensen elkaar verhalen vertellen,
karakters vormen en met elkaar uitwisselen, ceremonies uitvoeren die hun handelingen
bezegelen – dat de mens zichzelf omvormt tot iets dat al de potentialeiten van onze natuur
vervult.  De natuur zou dat nooit kunnen volbrengen.
Een laatste punt.  Het tijdperk dat de literatuur beschreef zoals ik deed is natuurlijk al
lang voorbijgestreefd.  Een nieuw opkomende kritische orthodoxie
maakt zich nu meester van de literatuur.  Critici beschouwen het literair bedrijf niet langer
als een betrouwbaar instrument om ons de waarheid van onze situatie en de
mogelijkheden die dat biedt te ontluisteren.  Integendeel vinden zij dat de literatuur
probeert ons te bedotten met haar hang naar sociale en politieke verdrukking die we
onmiddellijk zouden verwerpen als we onze geesten konden bevrijden van de mythen en
mystificaties waarmee auteurs, als apologeten van de gevestigde orde, ons hebben
misleid.  De taak van de huidige criticus is niet meer de duik naar het hart van de
waarheid die de auteur heeft ontdekt en verklaard aan een nieuwe generatie van lezers
om te tonen hoe zij kan worden toegepast op de beleefde ervaring; hij ziet de schrijver
alleen maar als de oplichter die hij moet ontmaskeren; hij wil alleen maar aantonen hoe
de schrijver, zelf onbewust van zijn ware motieven en blind voor de realiteit die hij wenst
te verklaren, een simpele lakei is die niet in staat is zoals de criticus te zien hoe de sociale
relaties, conventies en meningen die de auteur voorstaat om een vermenselijking en
beschaving van de mens te realiseren, in werkelijkheid net het omgekeerde effect
hebben.  Voor deze critici is de waarheid van de literatuur een grove leugen en de auteur,
hoe groot ook, een bedrieglijke propagandist van de een of andere tyrannie.
Omwille van dat alles, is het geletterd publiek blijven literatuur lezen, waarvan de grote
werken steeds de mensheid zullen blijven onderrichten en inspireren, lang nadat de
werken van die vermetele, arrogante en stompzinnige generatie van critici tot stof zullen
zijn herleid.



terug naar boven
WAT IS HET NUT VAN LITERATUUR ?
door Myron Magnet
vertaling Henri Thijs