Copyright © 2002/ 2004: Het Prieeltje Online. All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden
gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn
trademarks van Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België). Tel. 013/33.55.16. Deze site kan best worden bekeken
met en werd speciaal geconcipieerd voor de standaardschermresolutie van 800 x 600.
HOWARD NEMEROV (USA) keuze en vertaling Henri Thijs
|
"De intrinsieke passie van de realiteit" door Henri Thijs
Howard Nemerov werd geboren op de 1ste maart 1920 in New York. Tot hij
verhuisde naar Vermont in 1948, was het ook de geest van New York die het meest
zijn gedachtegoed bepaalde. Zijn welvarende en cultureel onderlegde ouders stuurden
hem naar de Fieldston School. In deze private onderwijsinstelling liet hij zich
opmerken als een onberispelijk student en een krachtig atleet. Afgestudeerd in 1937
vertrok hij naar Harvard waar hij een Baccalaureaat in de Letteren verwierf. Bij het
uitbreken van de tweede wereldoorlog voelde hij zich aangetrokken tot de
luchtmacht. Hij diende eerst als piloot van de “RAF-coastal Command” die ingezet
werd voor het bombarderen van Duitse schepen in de Noordzee. Later werd hij
overgeplaatst naar een Amerikaanse eenheid van de Royal Canadian Air Force. In
1944 huwde hij met een Engels meisje met wie hij zich na de oorlog vestigde in New
York. In die tijd verscheen zijn eerste dichtbundel “The Image and the Law”. In
1946 werd hij leraar Engels aan het Hamilton College, Clinton, New York. In 1948
verhuisde hij in die functie naar Bennington College in Vermont waar hij bleef
onderwijzen tot 1966, jaar waarin hij ging doceren aan de Brandeis Universiteit in
Waltham, Massachusetts en de Universiteit van Washington. De dichter ontving
talrijke bekroningen voor zijn werk waaronder beurzen van de The Academy of
American Poets en The Guggenheim foundation, de National Medal of the Arts en de
National Endowment of the Arts. Hij werd opgenomen als lid van de Academie van
Amerikaanse dichters in 1976 en benoemd tot “Poet Laureate” van de U.S.A.van
1988 tot 1990. De auteur stierf aan kanker in 1991 in University City, Missouri.
*
Nemerov wordt beschouwd als een van de productiefste en bekwaamste auteurs van
de moderne literatuur in de States. Zijn oeuvre is zeer omvangrijk en omvat volgende
poëziepublicaties: “The Image and the Law” (1947), “The Salt Garden” (1955),
“Mirrors and Windows” (1958, “New and Selected Poems” (1960), “The Next Room
of the Dream: Poems and two plays” (1963), “Blue Swallows” (1967), “Gnomes and
Occasions” (1973), “The Western Approaches” (1975), en “Collected Poems”
(1977). Daarnaast publiceerde hij ook drie romans: “The melodramatics”, “Federigo
or the Power of Love”, “The Homecoming Game”, twee verhalenbundels: “A
commodity of Dreams”, “Stories, Fables and Other Diversions”, twee toneelspelen: “
Cain” en “Endor”, twee essaybundels: “Poetry and Fiction: Essays”, “Reflections on
Poetry and Poetics” en “The unclassified literary-psychoanalytical Journal of the Fictive
Life”.
De twee belangrijkste elementen in het karakter van Nemerov, nl. poëzie en fictie,
speelden een cruciale rol zowel in zijn leven als in zijn werk. De auteur geloofde dat
deze twee factoren tegengesteld zijn aan elkaar en dat men moet trachten ze te
verzoenen. Deze gespletenheid in zijn persoonlijkheid komt steevast tot uiting in zijn
oeuvre. In zijn debuutbundel “The Image and the Law”, is het hoofdthema “de dood”.
De titel van de bundel refereert naar de twee manieren waarop de mens de dingen kan
aanschouwen. De eerste is de realistische methode die zich voltrekt door het oog
(“image”), en de tweede is de imaginaire methode die zich verwerkelijkt in de geest
(“law”). Doorheen de bundel blijft de auteur spinnen rond dat thema van de
“bewustwording” van de dood, dat nog intenser beleefd wordt door zijn jarenlange
oorlogservaringen. Hij schrijft over de verschillende types van de dood: “de
toevallige, de harteloze, de accidentele en de onvermijdbare dood”. Samen met de
dood zijn zijn overige thema’s: steden, religie, en geestigheid. Zowel religie als
geestigheid werken ook nog verder door in zijn latere poëzie. Vooral de religieuze
thema’s krijgen veel aandacht bij hem. Hij refereert herhaaldelijk in zijn verzen naar
Christus, God, de heilige Augustinus en Aquino. De geestigheid en de humor zijn niet
minder relevant aanwezig. Zij beslaan zowel het uitgesproken goedlachse als de meer
subtiele suggestie zoals in “History of a Literary Movement” het duidelijkst blijkt.
In het algemeen worden zijn gedichten gelardeerd met een amalgaam van ironie en
ernst zelfs als hij over de “verschrikkelijke” dood dicht. Ooit heeft hijzelf eens
gezegd: “ het ernstige en het grappige zijn één”. Maar zoals reeds herhaaldelijk
beklemtoond is het onderwerp dat zijn poëzie in ’t algemeen blijft domineren toch de
religie. In zijn visie heeft de mens doorheen de geschiedenis uit angst gepoogd de
realiteit om te buigen naar orde en wetmatigheid om het menselijk levensdoel een
zinvolle inhoud te kunnen geven. Religie is daarvoor een uitstekend middel omdat zij
de maatschappij modelleert naar haar visie en een eeuwig geluk belooft in de hemel
dat zich laat lezen als “een vlucht, een ontsnapping uit de tirannieke grillen van de
natuur”. De menselijke behoefte om te begrijpen, de zin te snappen van het leven, is
de hoofdbekommernis van zijn verzen. In het gedicht “Orphic Scenario” bij
voorbeeld doet hij dat zeer expliciet door de relatie tussen orde en realiteit op het
voorplan te brengen. Hij gebruikt zijn gedegen kennis van de geschiedenis om
religieus ingestelde historische figuren te vergelijken met de huidige status van de
mens. Met referenties naar de literatuur en de religie, beschouwt hij de orde als een
door mensenhanden gemaakt concept dat geen effect heeft op de “intrinsieke passie
van de realiteit” zodat de mens “machteloos in de handen van het lot” wordt
geworpen. De realiteit en nog eens de realiteit, daarom draait het in het leven en de
poëzie van Nemerov. De vitale en ondankbare kracht van de realiteit is wat het leven
samenhoudt, poneert hij. Door intensief gebruik te maken van literaire en religieuze
aanknopingspunten wil hij aantonen hoe de mens poogt de loop van de natuurlijke
gebeurtenissen onder controle te krijgen, maar daarin mislukt omdat de realiteit zich
nu eenmaal openbaart in al haar facetten onafhankelijk van de mens. Nemerov
gebruikt zijn poëzie als een uitlaatklep om een van de belangrijkste dilemma’s van het
leven te verwoorden nl. het “vatten” van de zin van het werelds bestaan, van zijn
duistere gebeurtenissen en fenomenen.
Henri Thijs koos en vertaalde van deze realiteitspoëet het gedicht “Zicht vanuit een
zolderraam” uit de Penguin bloemlezing van Donald Hall “Contemporary American
Poetry”
GEDICHT VAN HOWARD NEMEROV
vertaald door Henri Thijs
ZICHT VANUIT EEN ZOLDERRAAM
I
Tussen hoge takken, de bladerloze
stammen die tronen boven de nokken
van daken, nestelen ontelbare sneeuwvlokken.
Vanuit het zolderraam zie ik
het doorweven zwaaien van familiebomen
en kluwende genealogieën die dromen
om met strak gereserveerd fatsoen
bevend maar niet buigend ooit
zich van de ruwe sneeuwval te ontdoen.
De hele zondagmiddag lang
dwarrelden uit de vrome hemel
sneeuwvlokken als een stil gezang
alle vormen lagen toegedekt
en dronken draden begonnen te weven
de slaap om statige sparrendreven.
Op zolder tussen de vele afgedankte
en geërfde spullen moest ik huilen
daarna in de slaap een tijdje schuilen
Om wakker te worden ’s nachts
terwijl de sneeuwvlokken blijven zwerven
van duisternis naar duistrnis en
beneden de gele lantaarns bederven.
II
Ik huilde omdat het leven hopeloos is en mooi.
En als een kind huilde ik mij in slaap hoog
in het hoofd van het huis terwijl ik voelde
hoe de romp onder mij stampte en rolde tussen de steile
bergen en valleien van de vele jaren
die me naar tranen leidden.
Beneden in de kelder werken wasmachine en fornuis,
pomp, zekeringen, waterverwarmer , het
hart uit hun lijf voor mijn leven dat zich klein
wringt tussen hen en dit kerkhof van verlaten, goede
stukken van afgebroken levens wier hoeden
en wandelkrukken mijn rijke resten zijn.
En vrouwen, hun portretten en trouwjurken
geworpen in hoeken, en broedend op houten stronken
En de ratels van de kinderen, boeken over leeuwen en schurken.
En de opgehangen kleren die zonder hoofd, als dronken
zwaaien heen en weer bij elke stap op de vloer keer op keer.
Meer vermeld ik niet meer.
Maar wat ik dacht dat vandaag mij heeft
doen huilen is dit: dat we leven aan twee kanten van dezelfde weg:
de machtige bomen die hun zwart geduld
in de hemel duwen, is de eerste: hun takkenrelaties
leren immers hoe wij bestaan en groeien.
De tweede is de sneeuw,
die uit de hemel valt in een witte chaos
zo talrijk als het zand van al de zeeën
als alle mensen die stierven of nog zullen sterven
als sterren in de hemel, als de blaren van al de bomen,
zoals Abraham was beloofd van in het begin,
Generaties bloeden
tot ik hoog in de toren van mijn tijd
temidden van familieruïnes, begon te huilen
om ongevallen, ziekte, gerechtigheid, oorlog en misdaad
omdat allen stierven en ik sterven moest.
De sneeuw viel, de bomen stonden er, beloftes werden
vervuld en ik het kind in slaap gehuld.
(geplaatst op 18-12-2003)
terug naar boven
