Copyright © 2002/ 2004: Het Prieeltje Online. All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn trademarks van Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België). Tel. 013/33.55.16. Deze site kan best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor de standaardschermresolutie van 800 x 600.
|
Er bestaat een boek dat zo veel sonnetten bevat dat iemand die het gedurende l miljoen
jaren zou lezen, naar rato van een sonnet per vijf minuten, nooit in staat zou zijn
hetzelfde sonnet tweemaal te lezen.
Nu passen er in dat magistrale boek van maar tien bladzijden dik exact het
duizelingwekkend getal van honderdduizend miljard (dat is dus een 1 gevolgd door
veertien nullen) sonnetten.
Wat mag dat al voor een wonderbaarlijk boek zijn, kan men zich terecht afvragen en
bestaat het wel in werkelijkheid? Het bestaat inderdaad en heet “Cent mille Milliards
Poèmes” en werd geschreven door de Franse schrijver Raymond Queneau. Het boek
volbrengt die ongelooflijke taak door op elke rechterbladzijde een sonnet af te drukken
en dat dan op zijn beurt door te snijden in veertien stroken of strips die elk beginnen
met een regel van het sonnet. En dan kan het wonder gaan beginnen. Door de strips te
bewegen van links naar rechts en door elkaar, verkrijgt de lezer een combinatie van
lijnen die samen een nieuw sonnet vormen dat in alle waarschijnlijkheid nog nooit werd
gelezen en ook door niemand nog zal gelezen worden vermits elke lezer die combinatie
weer op een andere (persoonlijke) manier zal volbrengen.
De auteur beweert bovendien dat elk van de mogelijke sonnetten structureel zo perfect
is en ook stilistisch volmaakt overkomt dat het praktisch aan het onmogelijke en
onmenselijke grenst. Het boek is dan ook eerder een “sonnetmachine” die het
omzeggens exclusief werktuig is geworden van een ondertussen welbekende
enigmatische poëziebeweging geheten OULIPO.
OULIPO staat voor Ouvroir de Littérature Potentielle, wat dus betekent “Workshop
van Potentiële literatuur”. De beweging werd gesticht in 1960 door een mathematicus
François de Lionnais en de schrijver Queneau in hoogsteigen persoon die ook een
grote belangstelling koesterde voor de wiskunde maar toch in Frankrijk en daarbuiten
beter bekend werd voor zijn roman “Zazie dans le Métro” (1959).
Andere auteurs, mathematici en/of beiden zijn ondertussen toegetreden tot die
beweging die ondertussen wereldwijd al meer dan 30 leden telt.
De term POTENTIEEL in de naam van de groep verwijst naar een specifieke
structurele formule die de kracht bezit om een ongelimiteerd aantal resultaten te
produceren hetgeen op zichzelf een erg begeerde eigenschap is die zowel voor de
wetenschap van de Artificiële Intelligentie als voor de Schrijfkunst van belang is. Marcel
Benabou en Jacques Rouboud formuleren het aldus in hun “Page Oulipo: Présentation
de l’Oulipo” (www2.ec-lille.fr/): “PO signifie potentiel. De la littérature en quantité
illimitée, potentiellement productible jusqu’à la fin des temps, en quantités énormes,
infinies pour toutes fins pratiques.”
Initieel waren de doelstellingen zeker van het gemengde type, want zeker is dat er ook
een element van “speelsheid” heeft gespeeld bij het aanwenden van die techniek en dat
er ook interferenties plaatsgrepen naar de strenge ernst van het Franse structuralisme.
Maar afgezien van dat speelse element, leidde het fenomeen ongetwijfeld ook tot
extreme zelfs waanzinnige verwachtingen wat betreft de zogenaamde 100.000 miljard
mogelijke sonnetcombinaties die bezwaarlijk ooit volledig kunnen worden gelezen.
Daarmee samenhangend ontstond er ook een meer dan gezonde belangstelling voor het
aftasten van de uiterste grenzen van de taalfaciliteiten en –mogelijkheden onder de
strenge restricties van een ingenieuze, allesvermogende formule.
Dat klinkt al erg gelijklopend wat de ideeën betreft met de surrealistische en
dadaïstische stromingen maar leden van de OULIPO-beweging wijzen elk parallellisme
met deze bewegingen resolutt van de hand door te stellen dat hun regels, precies en
accuraat als ze zijn in hun werking - al mogen de resultaten dan wat bizar overkomen -
eerder neigen naar de algoritmentechniek die heden ten dage de computerprogramma’s
beheersen. Vandaar ook de soms gebezigde benaming: ALGORITMISCHE POEZIE;
Maar alles goed en wel beschouwd waarom zou iemand, een dichter uiteraard, wensen
te schrijven volgens deze for:mule, tenzij uit nieuwsgierigheid over de uitkomst ervan?
De twee reeds geciteerde auteurs, Marcel Benabou en Jacques Roubaud, winden er
geen doekjes om. Een oulipo-auteur moet zorgen voor de LIPO (=la littérature
potentielle) door zichzelf dwangmatige beperkingen en verplichtingen op te leggen
(inventer des contraintes): nieuwe en oude dwangmatigheden, moeilijke en minder
moeilijke en zelfs zeeee…er moeilijke. Want een Oulipo-auteur is in feite “un rat qui
construit lui-même le labyrinthe dont il se propose de sortir”(Jacques Roubaud). Een
labirint van wat kan men zich afvragen: van woorden, van geluiden, zinnen, paragrafen,
hoofdstukken, boeken, bibliotheken, proza, poëzie, en ga zo maar door tot in het
oneindige. Duidelijker kan dit als antwoord niet zijn. De Schotse dichter Edwin
Morgan heeft vaak geschreven op een Oulipoïstische wijze alhoewel hij zich niet
openlijk tot de groep wil rekenen en dus ook niet het antwoord geeft op de hierboven
gestelde vraag. De Amerikaanse dichter Harry Matthews daarentegen erkent wel
openlijk zijn lidmaatschap van de beweging en zijn gedichtenbundel MID-SEASON
SKY: POEMS 1954-1991gepubliceerd bij Carcanet is er de materiële utdrukking
van. In zijn voorwoord geeft hij een antwoord dat ook helpt om te verklaren waarom ,
reeds lang voor het bestaan van Oulipo, doorheen de literatuurgeschiedenis schrijvers
vaak beperkingen en regels hebben gevolgd door middel van zelf opgelegde
numerologische principes (De Divina Comedia van Danthe bij voorbeeld, om maar het
meest bekende voorbeeld te noemen, is ook gestructureerd rond een erg complexe
numerologische drievuldigheid). Matthews erkent ook dat de oulipoformule hem
toelaat “indirect om te gaan met wat hij anders nauwelijks kon vatten als ervaring”. M.a.
w. er is duidelijk wat hij noemt “safety in number”. De geest verkeert aldus in de
mogelijkheid om emotionele barrières en remmingen te overstijgen bij het verwerven
van zekere materies om ze te boetseren tot schrijfkunst door een onbewust gevoel te
kweken dat de aansprakelijkheid voor dat gebruik wordt verlegd van de schrijver naar
de formule. M.a.w. wat te voorschijnt komt in dat proces is “de schuld” van de
formule, niet langer van de dichter.
Zo is bij voorbeeld Matthews in staat een hartverscheurend tribuut te schrijven aan een
overleden vriend door zich te beperken in het gedicht tot het gebruik van de elf letters
die voorkomen in de naam van de overledene, nl. James Schuyler.
O.B. Hardison, een scherpzinnige Amerikaanse criticus wijdt in DISAPPEARING
THROUGH THE SKYLIGHT (Penguin, 1990) een hoofdstuk aan OULIPO in zijn
buitengewone “cross-culture” studie van de twintigeeuwse trends in hun relatie met de
veranderende technologieën. Daarin wijst hij vooral op de manier waarop de
OULIPO-formule reeds teruggaat naar heel vroege wortels in de Middeleeuwen. De
Oulipoleden van vandaag geven dit ook toe maar wijzen op een groot verschil dat erin
bestaat dat de huidige beweging bewust omgaat met de formule, daar waar vroegere
schrijvers eerder onbewust zochten naar een soort bevrijding gesteund door occulte en
soms ook religieuze motieven of misschien ook de meer menselijke behoefte om in
extremis gewoon hun talent te etaleren.
Harrison formuleert bovendien in dat verband de volgende fascinerende stellingname:
“ Alle bestaande formules van meters en stanzas verstoren de taal, en de meest stricte
formules zoals bij voorbeeld de formule van de limerick, produceert geschriften die
grenzen aan de nonsensliteratuur en gaan in feite te ver over de toegelaten schreef.
Maar in plaats van deze formules dan ook consequent te mijden, blijkt het dat
schrijvers ze met graagte beoefenen.”
Laat ons nu eens kijken hoe deze beweging door het gebruik van de nieuwe of
opgepoetste technieken erin slaagt om met het “getal” de geldende patronen van syntax
en grammatica te gaan beheersen evenals de remmingen van gedachten en verwachte
betekenislagen.
In het algemeen zullen zulke methodes, zelfs als een dichter niet kiest om ze te
gebruiken in het werk bestemd voor publicatie, zeer nuttig zijn om de geest te bevrijden
en suggestieve beeldvorming, ideeën en directieven op te leveren die bij andere
creatieve gelegenheden kunnen worden benut. Net zoals men niet per sé moet geloven
in Oosterse religie om kung fu te kunnen aanleren, is het nodig om een “ulipoïst” te zijn
om de voordelen en het nut van de oulipo-technieken te kunnen aanwenden.
Een van die technieken die het oudst in gebruik is is het zgn. LIPOGRAM: de techniek
bestaat erin in een gedicht (of een roman) het gebruik van een of meerdere letters van
het alfabet absoluut en repressief te vermijden. Probeer in een lang gedicht bij
voorbeeld alle woorden te mijden waarin de letter e voorkomt en men zal zien dat die
inspanning beloond wordt met nieuwe creatieve vondsten. Een kort gedicht
daarentegen waarin men maar een klinker gebruikt kan dan weer merkwaardige
alliteratie-effecten sorteren.
PERVERBS is een andere methode die erin bestaat de eerste helft van een
spreekwoord te voegen bij de tweede helft van een ander.
Bij CLEPT POMES schrijft men een gedicht waarna men aan een collega een lijst van
woorden overhandigt die men heeft gebruikt. Deze zal dan met die woorden een nieuw
gedicht maken.
PALINDROMES zijn eigenlijk niet zo nieuw, ofschoon de Oulipodichters erin geslaagd
zijn buitengewoon lange gedichten ermee te confectioneren. De techniek bestaat erin de
eerste helft van een gedicht te schrijven op een papierstrip, de tweede helft op de
andere zijde maar dan ondersteboven; vervolgens bindt men de twee helften weer aan
elkaar en leest het resultaat als een doorlopend gedicht. Dat produceert dan een
intrigerend ineengestrengeld geschrift dat fungeert als een nieuw gedicht.
Bij JUNCTUREPOEZIE komt een interactief element te pas. In het gedicht worden
punten aangeduid waar de lezer moet gaan zoeken naar alternatieven en zo geleid
worden naar een andere sectie van het gedicht afhankelijk van de keuze die hij gemaakt
heeft. Is dus ook een soort voorloper van de HYPERTEKST.
Om een HOMOSYNTAXGEDICHT te schrijven moet men al de woorden van een
bestaand gedicht vervangen door nieuwe woorden maar moet de grammatica en syntax
rigoereus behouden blijven.
PIEDPOEZIE vereist de herschikking van alle woorden in een gedicht om zo een
nieuw te vormen (de regels laten het gebruik van leestekens en hoofdletters toe).
In een SNEEUWBALGEDICHT heeft ieder woord een letter meer dan het vorige; in
het CYCLISCH GEDICHT is de laatste letter van elk woord de eerste van het
volgende woord. In een LESCURE ALGORITMISCH GEDICHT wordt een formule
N + 7 toegepast, dit betekent dat elk zelfstandig naamwoord in een gedicht vervangen
wordt door het zelfstandig naamwoord dat zeven woorden verder (of terug) in een
woordenboek staat.
Zo bestaan er veelvuldige technieken waarvan een bevrijdend effect uitgaat voor de
dichter en dat het creatief proces in grote mate kan opvrolijken. Uitgebreide feedback
is voorhanden in drie belangrijke naslagwerken die ook door de genoemde
Olipovoorvechters worden aangehaald, nl.
* Oulipo, La Littérature Potentielle, ed. Gallimard, 1973
* Oulipo, Atlas de la Littérature Potentielle, ed. Gallimard, 1981
* Les fascicules de la Bibliothèque Oulipienne, te verkrijgen bij de auteur Jacques
Jouet, 12, Rue de Lancry, 75010 Paris.
En toeval of niet kwam onlangs net op het ogenblik dat we de laatste hand legden aan
dit artikel een nieuwe uitvinding in het nieuws betreffende een machine die in staat zou
zijn op basis van bestaande modellen en stijlen een nieuw plastisch werk en ook, jawel,
nieuwe gedichten (nl.Cybernetische gedichten) te produceren. Als conclusie bij deze
Olipopagina konden we ons geen betere epiloog indenken. Geniet samen met onze
confraters van ROTTEND STAAL ONLINE ten volle van volgend bijzonder boeiend
bericht omtrent de zogenaamde “CYBERNETISCHE DICHTER”:
“New York - Ray Kurzweil, een uitvinder gespecialiseerd in kunstmatige intelligentie,
en technicus John Keklak hebben op 11 november patent No. 6.647.395 verworven
op een 'cybernetische dichter', zo meldde de New York Times afgelopen maandag.
Dit patent betreft software die een computer poëzie laat maken door stijlen en
woordenschatten van menselijke dichters te imiteren, zonder die te plagiëren.
Het programma werkt ongeveer als een mixer: men gooie ingrediënten uit reeds
bestaande gedichten in de cyberpoëet, die ze door elkaar husselt en daarmee een nieuw
vers maakt. Het programma is volgens Kurzweil gebaseerd op patroonherkenning.
Kurzweil meent dat patent No. 6.647.395 een hulpmiddel is voor dichters van vlees en
bloed die inspiratie en of hulp nodig hebben.
Een versie van de 'cybernetische dichter' is te downloaden op www.kurzweilcyberart.
com. De 'deluxe version' kost $29.95.”
DE MATHEMATICA VAN DE TAAL OF SCHRIJF EENS EEN OULIPO-GEDICHT door Henri Thijs
|