Copyright © 2002/ 2004: Het Prieeltje Online.  All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden
gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn
trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken
met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.  
DE GEUR VAN EEN VROUW, gedichten van Edvard KOCBEK,
Sloveense Poëzie, Netbook nummer 26 van Het Prieeltje Online.  

Voor Edvard Kocbek, een ietwat vergeten en verwaarloosde Sloveense
dichter, bestaat de rol van de dichter in het de- en reconstrueren van de
wereld rondom hem om bij het “spel van de verbeelding” het fenomeen van
de “leegte” te betrekken evenals de paradoxen van aan- en afwezigheid, het
zijn en het niet-zijn beschouwd als twee zijden van eenzelfde medaille.  Het is
een spel dat niet zomaar vrijblijvend is maar dat de gevaren rondom ons
herkent als symbolen van “droefheid”, “leegheid”, “nietsheid”.  Ten overstaan
van  zulk een immense doordringende leegte en verlies proberen alles te
ontmantelen en te sorteren zonder ook maar iets te verliezen is een haast
onmogelijke taak:

“En zo probeer ik hier alles waarop ik mijn
hand of herinnering kan leggen uit elkaar te halen en
te sorteren.  Aldus ontstaat uit zichzelf een nieuwe orde.
Ik word een bouwer, een metselaar, een dakwerker,
om daarna weer te veranderen in een schilder en
een tapijtenwever, en te eindigen als een tuinier.  
Ondertussen is de nacht gevallen
en treden er weer opnieuw dingen te voorschijn
die nog geheimzinniger lijken dan al de overige,
tot alles wat in mijn hand overblijft
iets vriendelijk en licht is, als een bruidssluier
zonder de bruid.”

(Uit: “Dit speelgoed”)

De inzet is dus zeer hoog en op het einde refereert hij naar een soort
provisionele theologie of poëtisch gezien naar een eindeloos proces van
omverwerpen en terug opbouwen waarbij het proces zelf zeker zo belangrijk
wordt als het product zelf.  Voor Kocbek zijn er immers geen pasklare
victories, of  beter gezegd helemaal geen overwinningen te vieren, maar
woedt er enkel een ongenadige en harde heroïsche strijd naar een finale toe,
een transcendente finale die verder dan de poëzie reikt, en elke rechtlijnige
sterfelijkheid overstijgt.  Nemen we als illustratie van deze gedachte het in
deze bundel opgenomen gedicht “Heilige Zoektocht”.  Hier zoekt de spreker-
dichter naar een mooie meid en lijkt te zweven over golven, wolken, of welk
ander element ook dat het heelal samenhoudt.  Naarmate de zoektocht
vordert valt alles wat “zondig is en vreemd ” van hem af en is het alsof hij de
kracht heeft om te zweven over golven en wolken en de hele kosmos als een
“geestelijk wezen” ontdaan van alle materiële attributen.  Maar wat bij dit
alles bijzonder opvalt is zijn panische angst om “het vreselijke niets” te gaan
ontmoeten, want hij is er zich van bewust dat “een fundamenteel iets” hem
ontsnapt.  De dichter zoekt dus duidelijk naar een onuitgesproken ideaal in
het realiteitsbesef dat dit iets er mogelijk niet kan zijn, enkel het grote “niets”.
Ten overstaan van dergelijke gigantische desillusie is het nodig een aardse
valabele en zeer menselijke tegenpool te gaan zoeken .  En om dat te doen
roept hij het beeld van de vrouw op om hem een rustige, natuurlijke kracht te
schenken. De geur van een vrouw brengt hem a.h.w. terug tot de
werkelijkheid die voorheen niet leefbaar of toch niet concipieerbaar was.  De
honger naar de geur van zoetheid van de moedermelk brengt ook een
metafoor op gang die hem betrekt bij de aarde zelf.  De moeder en haar
walmende geuren doen de dichter beseffen dat in het aanschouwen van het
niets de zin van het leven berust bij de aarde zelf.  De vereniging  (of
hereniging) met de moeder en de opname op de warme moederschoot van
de aarde “waaruit hij nooit meer zal verrijzen” geeft zijn lichaam weer kracht
en doet hem beseffen dat zijn ziel nog aanwezig is als een spiritueel wonder
dat het gigantisch niets kan opvullen.  Om dat ten volle te kunnen accepteren
moet hij op het einde dan toch wel weer beseffen dat hijzelf maar een
“zwerver, een tovenaar en verliefde “ kan blijven in alle betekenissen van het
woord.  Daarom is het ook niet zo moeilijk te begrijpen in deze context
waarom hij zijn dichter Orpheus in het gedicht “My Euridice” laat zeggen: “
Alles wat ik heb tot stand gebracht tot nu toe heeft zijn kracht en waarde
verloren”. Omdat hij het vertrouwen heeft verloren in zijn eigen woorden, en
zich genoodzaakt voelde hun waarheidsgehalte te bekijken in het licht van de
realiteit, vindt hij ze krachteloos.  De oorzaak hiervan is vlug gevonden en ligt
in de “ontoereikendheid” van de  taal.  In feite wordt de dichter een
buitenaardse in de ruimte van de eigen taal die hij hanteert: “Ik ben bezeten
door het gevoel van een buitenlander die met een vreemde tongval spreekt”.  
Kocbeks gedichten snijden het probleem aan van de geldigheid van wat de
schrijver schrijft, en meer specifiek wat de rol van de dichter hoort te zijn ten
overstaan van de fragmenterende wereld van vandaag.  Daar voegt hij dan
nog een politieke dimensie aan toe zoals hij duidelijk doet in zijn gedicht (ook
opgenomen in deze verzameling) “Geschiedenis”.  Want wat hij in eerste
instantie centraal wil stellen is wat wij kunnen en moeten verwachten van de
technologie.  Gaan wij bereid zijn de wetenschap en kennis op te geven voor
de feiten?  Zijn wij bereid de cultuur te gaan verloochenen voor de uitrusting?  
De verantwoordelijkheid voor de extase?  De zin van de ethiek voor deze
van de triomf?  Zijn deze begrippen niet inherent aan onze eigen
levensfilosofie en verlangens, behoren zij niet tot het scala van onze
persoonlijke ambities en gevoelens gespeeld op het scherm van het
mensenforum?  Zijn we in een toestand terechtgekomen waarin we
aanvaarden “dat er geen hemel meer is en geen mensen meer bestaan?”  Wat
kan tenslotte de dichter hieraan doen?  Welk soort poëzie zou hieraan kunnen
meewerken en zijn eigen gereid zelfimperialisme tot stand brengen?  Welke
soort poëzie zou dit kunnen toelaten en zichzelf nestelen in een
valkenperspectief of op een afgelegen Parnassusberg om neer te kijken op
het echte volk dat zij zou moeten dienen?   Dit zijn vragen en problemen die
zowel voor lezers als schrijvers belangrijk zijn zoals Kocbeck pertinent
suggereert in een uitgesproken (prachtig) ironisch vers:

Indien al de zevenhonderd miljoen Chinezen
die elk vijftig kilo wegen,
tegelijkertijd vanuit een hoogte van twee meter
zouden springen op het land van hun tegenstanders,
zou dit een aardbeving veroorzaken van
kracht vier.
En als zij deze handeling zouden herhalen
elke vierenvijftig minuten
nadat de trillingen van de aardbeving
waren teruggekeerd van over de wereld
zouden zij die kracht verhogen tot zulk
een hoog peil dat die het land van hun
tegenstanders volledig zou vernietigen.
Dit alles kon een waarheid worden
in het gedachtegoed van Mao Zedong.
Maar ook hun vijanden konden eventueel
de beving neutraliseren door nauwkeurig
de aanstormende trillingen
op te vangen met tegensprongen van
hun eigen gewicht.
De grote onbekende hierbij is alleen
de grootte van de bevolking.
Wij, Slovenen, bij voorbeeld,
zouden van zulk een hoogte moeten
springen dat we allen zouden
omkomen bij die sprong.
Daarom moeten wij het altijd op
een akkoord gooien met
onze naburen.

Wat als meest belangrijk element uit dit verhaal naar voren komt is de zin
voor zelfironie.  Want voor Kocbek uit taal zich niet enkel in het gesprokene
maar ook en vooral in het “onuitgesprokene”.  De onuitgesproken taal vormt
het mysterie, maar maakt ook deel uit van de gesproken taal in een vreemde
betekenis. De relatie tussen het gesprokene en onuitgesprokene geeft een
soort van textuur mee aan het begrip taal in de zin geformuleerd door de
filosoof Heidegger: “ Enkel waar er een taal bestaat, bestaat er een wereld”.  
“Poëzie” zegt de dichter Kocbek “blijft de uitdrukking van het onblusbaar
menselijk verlangen naar vrijheid”. En daar komt dan dat tedere wapen van
de verbeelding en de metafoor op de proppen.  Want “Verbeelding” zo gaat
hij verder, “is de zuurstof van de moderne mens” die een wereld bestrijdt
verstikt in informatie en feiten, en door de krachten die de informatie
controleren, van grote conglomeraten tot regeringen”.  

Wie dus meer van deze zuurstof wil opsnuiven kan surfen naar de centrale
site van Het Prieeltje Online en genieten van deze poëzie door te klikken op
NetBook nummer 26 in onze digitale bibliotheek .


terug naar boven
ONDER DE LEESLAMP

“VERBEELDING IS DE ZUURSTOF VAN DE
MENS”
door Henri Thijs