Copyright © 2002/ 2004: Het Prieeltje Online.  All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden
gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn
trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken
met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.  
"VLEUGELS" van Ana BLANDIANA, NetBook nummer 28 van Het
Prieeltje Online. Te lezen op de site van Het Prieeltje Online
(www.hetprieeltje.net), klikken op NetBook 28.

In het dorp waarnaar zij terugkeert, m.a.w. in de stegen en straten van haar
woorden, "vermalen koekoeksklokken de tijd".  Met dit vers uit een van haar
gedichten ("Het dorp waarnaar ik terugkeer") wil deze Roemeense dichteres
duidelijk maken waar het om gaat in het menselijk bestaan en in de poëzie.  
Het dorp dat haar telkens aantrekt om terug te keren naar de wereld van de
droom en het woord is een tijdvreter die stukken van het zwijgen (= het
mysterie van het bestaan) te grabbel gooit in het stof op de weg.  Alle uren
hebben al sinds lang geslagen in dat oord van meditatie en bezinning, er
blijven er dus geen meer over om nog iets nieuws te brengen in de kringloop
van het bestaan die op zijn beurt wijst naar iets dat onzichtbaar blijkt ("de
wijzers draaien immer verder") en ongenaakbaar ("ze wijzen naar iets dat
onzichtbaar is") terzelfdertijd.  Daarvan wordt de koekoek (= de dichter)
radeloos als hij weer een onbekend en mysterieus uur moet aankondigen en
voelt zichzelf dan geroepen uit onmacht maar zingend de ondergang van de
wereld aan te kondigen.  De wereld. Welke wereld ?  Natuurlijk de wereld
van het begrijpen, het onderkennen van het mysterie, de verkenningstocht
naar de waarheid, de queeste naar de essentie. En ga zo maar door.  Zingend
?  Inderdaad hij doet dat met rijmen en klanken en bouwt een lied van kennis
op, kennis van de onkunde over het vatten van de bouwstenen van het
bestaan.  De klanken hebben een versieringsfunctie, zij vertegenwoordigen
het ornament van het instrument waarmee de onmacht de wereld in gezongen
wordt.  Zeer mooi hoe het menselijk fatum hier op een gesublimeerde wijze,
aan de hand van een alledaags tafereeltje van de koekoeksklok in onze
vroegere huiskamer, in verzen gegoten wordt.  
Maar je kunt niet eeuwig blijven zingen, zonder dat er een weerklank komt,
een vaag respons, een teken van samenhorigheid of begrip.  Indien op de
actie van de troubadour van de dichter geen antwoord komt, blijft het lied
zonder inhoud en kan het zich niet verspreiden over heel de gemeenschap.  
Dan zal er zoals de oude zigeuners (een dagelijks fenomeen in de leefwereld
van de Roemeen) moeten worden opgetrokken naar een andere, vreemde
bestemming die, zoals alras zal blijken, niet van deze aarde is.  Zo blijft er
alleen de ruimte over die ons met zijn almachtig universum waarvan het begin,
noch het einde nog niet eens kan vermoed worden, omringt en een
vluchtstrook bezorgt die een onstsnapping uit de leegte van de afwezigheid
mogelijk maakt.  Deze vluchtstrook herbergt, zoals bij nader inzien blijkt,
verschillende routes die bijna alle een facet voorstellen van de verzuchtingen
in het menselijk bestaan : het zijn de dobbelstenen van het fatum die ieder van
ons moet uitspelen om aan de levenswandel een zinvolle oriëntatie te kunnen
geven.  Die facetten zijn vooreerst religieus getint ; vervolgens ruimtelijk en
kosmogologisch, verder natuurverwant en tenslotte eng-relationeel daar waar
het gaat om een ritueel met de partner uit te voeren op weg naar de
ontnuchtering van het zijn.  Om die vluchtstrook ook maximaal fysiek te
kunnen benutten, is er een geëigend hulpmiddel nodig dat uit de aard van de
zaak voor de hand ligt, nl. VLEUGELS ! Vleugels moeten er zijn of worden
gecreëerd met het woord om te vliegen en de vorige facetten een lijfelijke
ervaring te bezorgen en een praktische, reële kans van verwezenlijking.  Dit is
in een nutshell de essentie van deze boeiende verzameling gedichten van Ana
Blandiana die dus niet toevallig VLEUGELS heet.

Laat ons even die verscheidene facetten van naderbij bekijken in haar verzen
om dieper in te gaan op het merkwaardig dichterschap van deze dichteres.

Zo is het haast vanzelfsprekend dat het religieuze en contemplatieve facet een
voedingsbodem en een warm nest vindt in het instituut dat als doorgeefluik
fungeert naar het hiernamaals, nl. de kerken.  Het is in de kerk en in de
rituelen die daar opgang vinden dat de menselijke geest en dus ook de dichter
soelaas vindt om zijn vluchtroute uit te stippelen.  Het gedachtegoed (de
bijbelinterpretatie nl.), de gekende rituele omkadering en voorhanden zijnde
bezinningsruimte voor de creatieve en/of getormenteerde geest zijn de ideale
wegwijzers naar nieuwe bestemmingen voor een vlucht uit het huidige
zwijgend bestaan.  Vandaar dat "kerken vleugels hebben trillend aan de
lichamen van houten pannen" en opstijgen in de lucht waar het "wiemelt van
grootse, levende kerken".  In de kerken (vaak vol vlinders) dwarrelen
vleugels die de kinderlijke onschuld (getekend door kinderen trouwens) op
hun veren dragen rond om de kracht van het teken van de escapade voelbaar
en hoorbaar te maken.  Om die fantasievolle vluchtdenkbeelden een rijke
onderstroom te geven, moeten de geestelijke batterijen worden opgeladen
tijdens de slaap van de individuen.  Zo kan de verlossing uit het dwangbuis
van de dagelijkse beslommeringen geestelijk een feit worden.  Immers in de
slaap zinken de vleugels van de partner in de aarde en worden verliefden en
echtelingen eindelijk op elkaar lijkende paren die aldus onafscheidelijk en
finaal met elkaar verbonden blijven.  In de slaap gebeurt het ook dat het
bewustzijn op volle toeren actief is en iedereen wakker houdt om het
transcendale besef van de vlucht een concrete gestalte te geven.  Maar
daarvoor is het noodzakelijk het hulpmiddel van de droom erbij te halen.  
Men moet "slechts dromen in slaap te zijn" om in "de slaap binnen de slaap"
actief te blijven.  Daarom stelt ze in het passende gedicht "In slaap": "wat een
tumult moet daar niet heersen in de slaap binnen de slaap".  Deze droom
gekoppeld aan het religieuze fenomeen van de "grote verrijzenis" waar de
vlucht een reële dimensie heeft gekregen in de persoon van Christus, wordt
zeer raak en typerend uitgebeeld in het gedicht "PIETA" , waar de schrijfster
de rol inneemt van de gedode en verrezen Christus die tijdens zijn driedaagse
"doodsperiode" terugkeert naar zijn moeder en bij haar op schoot zijn
kinderlijke en jeugdig leven herneemt daarbij in een gesprek beklemtonend
dat zij van dat alles niets zal begrijpen.  De vlucht moet dus niet worden
begrepen om toch te worden ondernomen.  Integendeel, net in dat onbegrip
schuilt de grootste temptatie om ermee aan te vangen.  De dichter schept dus
met zijn woord een hermetisch universum waarin het goed is te verblijven en
die de vluchtroute aanlegt maar tegelijk hult in een mysterieus vacuüm dat
nooit zal kunnen worden gevuld met "begrijpen en verstaan" maar daarom
niet minder attractief wordt.

Voor het tweede facet, nl. het ruimtelijk en kosmogologisch element gebruikt
Blandiana het liefst het beeld van de sneeuw.  Talrijk zijn de gedichten waar
de sneeuw een allesoverheersende rol speelt wat de ruimtelijke kontekst
betreft.
Zeer treffend gebruikt zij dit natuurfenomeen van de sneeuw in het gedicht
OCHTENDELEGIE (een van de meesterwerkjes in deze verzameling vinden
wij) om de relaties met de partner in een ruimtelijk perspectief te plaatsen en
ze doet dit (altijd overigens) op zulk een sprookjesachtige manier dat men
zich waant in een verhaal gesprokkeld uit een bundel van Grimm.  De partner
die haar gevoelens helemaal niet begrijpt en begint met assen te strooien op
het dik sneeuwtapijt dat voor zijn deur en omgeving ligt en dat zij heeft
gesneeuwd voor hem tijdens de hele nacht van de droom en de slaap krijgt
een zielige allure.  Niet omdat hij gewoon dat natuurfenomeen niet begrijpt
maar omdat hij niet heeft deelgenomen aan het medidatief proces van
transcendatie en dus het ruimtelijk perspectief niet begrijpt waarin de dingen
op deze wereld en in dit leven plaatsgrijpen.  Dat groteske onbegrip wordt
nog verder uitgesponnen en nog meer ruimtelijk geplaatst door de frasen uit
de slotscène van het genoemde gedicht waar zij treffend stelt: "gigantische
sneeuwvlagen zullen vallen na ons en jij zult nooit genoeg as hebben om te
strooien".  De beeldvorming geuit in het gedicht PIETA ligt hier niet ver af.  
Het is cynisch en komisch tegelijkertijd hoe zij weet aan te tonen dat relaties
die steunen op geestelijk onbegrip een wereld van verschil uitmaken en de
betrokkenen vastkluisteren aan een bestaan dat überhaupt geen enkel uitzicht
biedt op romantische begeestering noch op psychologische verstrooiing en
dat het leven saai, gesloten en eng doet ervaren.  De wijze waarop zij het
beeld van de sneeuw gebruikt om de onderlinge misvattingen en de bijna
onmogelijkheid van convergentie in een relatie duidelijk te maken, getuigt van
een gedegen vakmanschap en inlevingsvermogen.  Dat zij een dergelijke
alledaagse toestand daarenboven een kosmische allure geeft en zelfs een
sprookjesachtige, romantische sfeer meegeeft wijst op een groot
dichterschap. Eenzelfde gedachtegoed en stijlfiguur vinden we terug in het
andere "sneeuwgedicht" "HET SNEEUWT", waarin de sneeuw boos is en
vol haat valt omdat zij weet en zij alleen "dat een sneeuwvlaag eens een grote
liefde was".
Ook het natuurverwante facet in haar poëzie dient als afleidingsmanoeuvre
om de relationele menselijke problemen aan de kaak te stellen en te verheffen
op een hoger ruimtelijk platform (door de kosmische dimensie eraan toe te
voegen) om aldus de nietigheid van de zwaartekrachten die deze relaties
schijnbaar belasten in een helder daglicht te stellen.  Tevens wordt de eigen
onmacht  hiermee duidelijk geïllustreerd zoals in het gedicht MOED waar het
luidt dat "handen palmblaadjes zijn waarin oogleden van palmbladeren nooit
knipogen" en die "als ongeschreven brieven zichzelf nooit hebben kunnen
waarmaken in een woord".  Subliem wordt de relativiteit van een gebrekkige
relatie tussen twee partners voorgesteld in het gedicht "Een ontmoeting" waar
zij als troostend beeld van een stukgelopen samenleven het grassprietje laat
groeien in de tuin dat naar de andere zal fluisteren "wees niet bang, zij stelt het
goed en wacht hier op jou naast mijn wortels".  Het beeld van de bloem in
"Achterdocht" is dan weer van een andere orde.  Het kosmisch geheel en het
religieus facet vloeien hier duidelijk over in elkaar.  Op de vraag of de bloem
nog vrij is die niets doet dan op vastgestelde tijdstippen bloeien, verwelken en
een goede geur verspreiden (goed nabuurschap dus ) krijgt de vraagstelster
als antwoord dat een engel de ogen van de bloembaden sluit.  De bloem is
dus een engel en maakt dus deel uit van het kosmisch geheel en het ruimtelijk
wonder waarvan wij hoegenaamd niets begrijpen.  Ook zij draagt dus, zij het
onzichtbaar, de vleugels van een engel en is aldus ongenaakbaar en geestelijk
vrij in een relgieus en kosmisch perspectief.

Het relationele facet ten slotte sluit praktisch naadloos aan bij de vorige
facetten en kan aldus de wegmarkering van de vluchtstrook - waarover in het
begin sprake was - voltooien.  In twee gedichten staat dit facet centraal, nl. in
het sublieme "Een paar" en in "Strandherinnering".  In beide gedichten wordt
de positie van twee partners in het leven duidelijk toegelicht en voorgesteld
als een onmogelijke, verscheurende alliantie tussen twee aan elkaar gegroeide
en in elkaar verstrengelde individuen.  Alhoewel ze totaal verschillend van
elkaar zijn, worden ze toch bij elkaar vastgehouden door een mysterieuze
superpositie die nooit de beide persoonlijkheden gelijktijdig laat zien.  Deze
schrijnende situatie die op zich eigenlijk een quasi Siamese wreedaardige
kwelling ontwikkelt, toont duidelijk aan in welke mate de tegenstellingen
tussen twee persoonlijkheden weliswaar aanwezig zijn maar ook - wonder
boven wonder - helend werken en zelfs suppletief ageren.  Ze kennen mekaar
wel niet, maar vervolledigen elkaar door een onverbreekbare,
noodgedwongen band die hen samenhoudt en ingevolge die situatie een groot
wederzijds verlangen creërt van elkaar eens in de ogen te zien, hetgeen
materieel onmogelijk lijkt.  "De een reikhalst naar de zon, de andere naar de
maan".  Maar die tegendraadse copulatie waaruit zij niet kunnen ontsnappen
heeft ook voordelen.  Ze blijven eeuwig met elkaar verbonden ondanks of
moeten we stellen dankzij hun verscheidenheid.  "Eenheid in de
verscheidenheid" houdt hen samen voor het leven en zelfs in de dood.  
Misschien zijn ze wel nooit in staat volledig te sterven omdat de ene altijd de
andere aanvult en also het lichamelijk vacuüm als het eens optreedt als het
ware automatisch wordt opgevuld.  Zeer mooi wordt deze stellingname
verwoord in het vers: "Of zullen we nooit volledig sterven maar eeuwig de
kwijnende last van de andere moeten blijven torsen?"  Wat een prachtige
symbiose klinkt er door in deze verzen.  Een hoopvol gestemde conclusie van
een haast onmogelijke tweeëenheid die erop wijst dat vleugels op weg naar
de vlucht uit de werkelijkheid noodgedwongen moeten worden gedragen
door mens en evenmens en dat de zware last van het onbegrijpen van het
levensfatum over meerdere schouders kan worden verdeeld zodat de vlucht
een gemeenschapsbesef creëert dat hoopvol de eindbestemming tegemoet
ziet als "de aarde zal binnendringen in de draaikolk van de sterren als een
brandende komeet van sneeuw".

terug naar boven
ONDER DE LEESLAMP

GEDICHTEN ZIJN KOEKOEKSKLOKKEN
VAN DE TIJD
door Henri Thijs