Copyright © 2002/ 2004: Het Prieeltje Online.  All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden
gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn
trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken
met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.  
RENÉ CHAR (1907-1988)
keuze en vertaling Henri Thijs
BIOGRAFIE

René Char werd geboren in 1907.  Hij stierf op de gezegende ouderdom van 81
jaar.  Hij vervoegde in 1929 de surrealistische groep en sloot zich aan bij Picasso
en André Breton.  Met deze laatste alsmede met Paul Eluard, schreef hij “Ralentir
travaux”.  In 1934 publiceerde hij “Le marteau sans maître” en keerde zich
langzamerhand af van de surrealistische stroming.  Hij werd weerstander vanaf  
1941.  In “Les feuillets d’hypnos “ (1946), beschrijft hij zijn ervaringen in de
oorlog.  Na de bevrijding publiceert hij “Seuls demeurent” (1945) en “Le poème
pulvérisé” (1947) waarmee hij definitief zijn bekendheid en zijn faam vestigde.  Hij
publiceerde nog regelmatig tot aan zijn dood.  Als een ultieme erkenning van zijn
oeuvre verscheen zijn verzameld werk in de “pléiade” in 1983 nog tijdens zijn
leven.  
René Char behoort tot een van de grootste hedendaagse dichters.  Hij heeft een
ware revolutie teweeggebracht in de dichtkunst door ze van haar klassieke
wortels te ontdoen.  Zijn poëzie is direct, hermetisch zonder veel stijlfiguren.  In
zijn werk slaagt hij erin een quasi totale uitzuivering van zijn verzen te realiseren
door ze te herleiden tot flitsende momentopnamen.  Camus zei over hem: “Dit
oeuvre is een van de belangrijkste dat ooit werd geproduceerd in de literatuur.  
Sedert Apolinaire is er in de Franse poëzie geen grotere poëtische revolutie meer
geweest die een vergelijking met zijn werk kan doorstaan.”.  

Bibliografie

Le Marteau sans maître, 1934
Placard pour un chemin des écoliers, 1937
Dehors la nuit est gouvernée, 1938
Feuillets d'Hypnos, 1946
Fureur et mystère, 1948
la Parole en archipel, 1962
la Nuit talismanique, 1972
Chants de la Balandrane, 1977


VIER GEDICHTEN VAN RENE CHAR

GEZAMENLIJKE AANWEZIGHEID
(fragment)

Je bent gehaast om te schrijven
Alsof je te laat komt voor het leven
Als dat zo is ga dan in een stoet achter je bronnen aan
Haast je
Haast je om jouw aandeel in het buitengewone, de rebellie, het welzijn
Over te brengen
En je bent effectief te laat voor het leven
Het niet uit te drukken leven
Het enige in feite waarmee je wenst scheep te gaan
Datgene dat je wordt geweigerd elke dag door de mensen en de dingen
Waarvan jij hier en daar met moeite  enkele povere fragmenten bekomt
Na gevechten zonder weerga
Buiten haar ben je niets dan agonie onderworpen aan een stom einde
Als je de dood ontmoet tijdens jouw labeur
Ontvang hem buigend zoals de zwetende hals de droge zakdoek
goed vindt
Als je wilt lachen
Bied je overgave aan
Nooit je wapens
Je bent geschapen voor die luttele gemeenschappelijke momenten
Verander je verdwijn zonder spijt
Omwille van de zachte plicht
Wijk na wijk wordt de uitroeiing van de wereld voortgezet
Zonder onderbreking
Zonder respijt
Zend het stof uit
Niemand zal uw eenwording opsporen

(COMMUNE PRESENCE, uit : “Le marteau sans maître” )

* * *


IK WOON IN EEN PIJN
Het verpulverde gedicht (1945-1947)

Laat de zorg om te heersen over jouw hart niet over aan die tederheden verwant
aan de herfst waarvan zij de onverstoorbare allure en zijn hoffelijke agonie
hebben ontleend.  Het oog plooit zich maar al te graag.  Het lijden kent weinig
woorden.  Verkies te slapen zonder gesel: jij zult dromen van de volgende dag en
jouw bed zal licht aanvoelen.  Je zult dromen dat je huis geen ramen meer heeft.  
Je bent ongeduldig om de wind te vervoegen, de wind die op een nacht een heel
jaar doorloopt.  Anderen zullen de klankrijke inlijving bezingen.  De vleselijke
noden zullen niet meer belichaamd worden dan de tovenarij van de zandloper.  Jij
zult de dankbaarheid die zich herhaalt vervloeken.  Later, zal men jou
vereenzelvigen met een bepaalde ineengestorte reus, heer van het onmogelijke.

Nochtans.

Je hebt niets gedaan dan het gewicht van de nacht verzwaren.  Je bent
teruggekeerd naar de visvangst aan de stadsmuren, naar de hitte zonder zomer.  
Je bent razend op jouw geliefde temidden van een verstandhouding die doldraait.  
Denk aan het volmaakte huis dat je nooit zult zien bouwen.  Voor wanneer de
oogst van de afgrond?  Maar je hebt de ogen van de leeuw verpletterd.  Jij gelooft
de schoonheid boven de zwarte lavendels te zien passeren…

Wie heeft jou eens te meer een beetje hoger opgetild zonder je te overtuigen?

Er bestaat geen maagdelijke troon.

(Le poème pulvérisé)

* * *

Loyaliteit

In de straten van de stad bevindt zich mijn geliefde.  Het geeft niet waar hij gaat
in de versnipperde tijd.  Hij is mijn geliefde niet meer, iedereen kan met hem
praten.  Hij herinnert het zich niet meer; wie precies hield nu van hem?

Hij zoekt zijns gelijke in de bede van de blikken.  De ruimte die hij doorloopt is mijn
trouw.  Hij tekent de hoop en wijst hem zachtjes af.  Hij is dominant zonder dat hij
dat wil.

Ik leef diep in hem als een gelukkig wrak.  Zonder dat hij het beseft, is mijn
eenzaamheid zijn schat.

In de straten van de stad bevindt zich mijn geliefde.  Het geeft niet waar hij gaat
in de versnipperde tijd.  Hij is mijn geliefde niet meer, iedereen kan met hem
praten. Hij herinnert het zich niet meer; wie precies hield nu van hem en verlicht
hem op afstand opdat hij niet valt?

(Allégeance)


* * *

HET VERSTROOIDE EINDE

Als je schreeuwt, zwijgt de wereld: hij verwijdert zich met jouw eigen wereld

Geef altijd meer dan je kunt terugnemen.  En vergeet.  Zo is de heilige weg.

Wie de aansporing converteert in een bloem rondt de bliksem

De bliksem heeft slechts een huis, hij heeft verschillende paden.  Huis dat zich
uitput, paden zonder kruimels.

De kleine regen vrolijkt het gebladerte op en gaat voorbij zonder zich te noemen.  
Wij zouden honden kunnen zijn bevolen door slangen, of verzwijgen wat we zijn.

De avond bevrijdt zich van de hamer, de mens blijft geketend aan zijn hart.

De vogel onder de grond zingt de rouw op de aarde.

Jullie alleen, dolle bladeren, vul uw leven.

Een zuchtje van een lucifer volstaat om het strand te ontsteken waar een boek
sterven komt.  De boom van de volle wind is eenzaam.  De omhelzing van de wind
is het nog meer.
Zoals de onverschillige waarheid futloos zou zijn als er niet deze branding van
schaamrood was in de verte waar de twijfel en het gezegde van het heden
geenszins zijn gegraveerd.  Wij gaan vooruit, elk woord verlatend door het ons te
beloven.

(Le terme épars; uit: Le Nu perdu et autres poèmes 1964-1975 )

(geplaatst op 29-09-2004)

terug naar boven