Copyright © 2002/ 2004: Het Prieeltje Online.  All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden
gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn
trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken
met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.  
Peter SCUPHAM (Britse Poëzie)
keuze en vertaling: Henri Thijs
Peter Scupham werd geboren in 1933 in Liverpool en studeerde aan het Emmanuel
College in Cambridge.  Hij publiceerde tot op heden elf dichtbundels.  Overheersende
thema’s in zijn werk zijn: herinneringen aan zijn ouders, zijn kinderjaren in oorlogstijd,
de mysteries van de prehistorie. Hij schrijft een erg beklijvende en suggestieve lyriek.   
Henri Thijs vertaalde vijf gedichten gekozen uit de Penguinverzameling “Contemporary
British Poetry”(Londen, 1988) samengesteld door Blake Morrison en Andrew Motion.


VROEGE ZOMER

Kleine spullen gaan verloren nu;
Men signaleert inbreuken
Nederlagen in buitenaardse werelden.

Dit is het moment om een dol blad
Te laten glijden onder de broze benen
Die de broze, gespannen huid
Van de vijver verkreukelen,

Of  begraaf de vliegvlugge vogel
Met de gesloten ogen, de onoverwinnelijke kop
Op de slappe, grijze hals.

De zwervende bij, stomp en harig,
Knoopt met zijn stom gezoem
De ijverige lucht los.

Ook hij zal ons nodig hebben.
Wij hijsen hem naar het raam, lachen
Met zijn jagend gebrom.

Papieren motten drijven naar het licht
Fladderen in een holte van de hand
Daarna buiten, buiten.

Later, veel later, zullen we de wespen te lijf gaan,
En brouwen ze langzaam in onze ketels
Van honing en azijn.

(EARLY SUMMER)

***

ZOMERPALEIZEN


Hoe zullen we onze zomerpaleizen bouwen ?
Zullen de dames ons sorbet brengen en gaan
Onze tuinen bruinen onder het filigraan van
Chinese lampions?

De keizer spreekt ons toe in een lang donderkleed
En pijnigt ons met wolken; zijn regenkammen
Voeren een dans uit met meer dan zeven sluiers.

Eilanden vol vogelmuziek; storm-stemmen dempen.
Over het blauw spannen vederwolken
Een zeil voor ons schaduwpaviljoen.

Zwaluwen naaien onze tenten aan elkaar.
Wij leven als nomaden die hun kamp opslaan
Onder de witte, lakens wapperend aan de lijn.

Gehaakt aan buitelingen van het gras
Horen wij de beugels van onze koorden kraken onder daken van licht
En voelen op de bodem de stampende aarde.

De sterke bladeren weven onze gordijnen; wij herkennen elke geur,
En de diepe ademhaling achter waaiende gordijnen.
Wij zijn de burgers van het groen geworden.

Onze muren groeien stevig uit tot fruit en zaadbollen.
Een paardenbloem wijst het uur aan,
En blaast onze tijd weg in gevederde vlokjes.

De nacht rust warm op een muur van schaduwen,
In onze drijvende bedden liggen wij even naakt
Als de nabije maan die ons met zijn zilver toedekt.


(SUMMER PALACES)

***

DE KAR

Achteraf beschouwd is het maar
Een collectie blaren door de
Uren bijeen gebracht zonder te weten waarom.
Ze zijn het labeur van handen,
Wat wordt bevestigd door
Hun afwezigheid nu.
Zij hebben het gras opgeleid.

Maar de les ging met hen verloren.  De vogels echter
Weten dat er iets is dat ze moeten ondernemen,
Je ziet dat aan de wijze waarop zij hun kopjes knikken
En dartelen in de lucht
Die niet warm is en niet koud.

Is dit dan niet-ergens?  De wind kan dit beweren
Gezien hij zijn weg door de bomen voorvoelt, en een
Gaas van stof weet te spannen bij elke bocht in het pad.
De hemel maakt zichzelf duidelijk

Op de grond als tijd zich omvormt tot de seizoenen
Die hun krullen her en der verplaatsen

Een pop meet zich stilaan een levenslijn aan.
Vleugels worden vastgezet; dan gedroogd.

Aarde over aarde: hier is de relikwiekast
Bevestigd op een geschilferd wiel van een kinderkar.
De talismannen worden uitgestrooid over de
Wedlopen waarmee het licht hen van antwoord diende

Wanneer geheimen werden bewaard en ’t doolhof betreden,
Sprak de tuin met zijn unieke gevoelige stem
In bloemen die hun eigen verwelken ontkenden
En geen behoefte hadden aan namen.


(THE CART)

***

HET GEHEIM

De semafoor van ’t kwikstaartje in zwart en wit,
Een diadeem van een spin, gespannen op geribde dauw.
Bolvormige trossen van trage slakken klauterend
Over de voet van de muur:
Het daglicht gevuld met spreekwoordelijke gelijkenissen.
Zo vond de schemering hem gebald en onbruikbaar voor woorden.
De dalende klok met bulten van schaduw wist het.
Dan werd een blauwdruk van een jurk, los en spraakzaam,
Gemorst, geïntercepteerd
En de conversatie opgehangen door een bevriende draad.
Zij keerde zich om: “Scheelt er iets?” “Neen”
Slechts het fladderend geheim dat een kind moet
Bewaren voor de koude oppervlakte van bladen,
Het getralied gezicht van de maan:
Koeien in de schemering die hun bewolkte tongen
Laten drijven.

Regen, sissend op het gras, kwam storen.
’s Nachts, terwijl het oude huis kraakte in zijn voegen,
En zijn stoffig gebinte versplinterde, brak het
Gevederd geheim uit zijn vleugels.
Als de ochtendzon verscheen, was zijn vogel
Gevlogen.


(THE SECRET)

***

SLEDETEAMS

Geschiedenis is polair,
Een textuur van geweven stiltes.

Haar gewelddadig carnaval
Paraden van tongen en kostuums
Vermaakt een legaat:
Witte lijkwaden, opgebaarde strengheid.

Onze ogen doen pijn.
De Keizerrijken van Sneeuwstormen
Geven hun geheimen niet prijs.

In hun vlees van kristal,
Zwoegen oude sledeteams en hun leiders

Zich een voor een naar hun afgrond.
Zwarte interpuncties van ijs

Sneeuwblind, en niet afgeleid
Door onze lippen die bevriezen
Als ze ons roepen.

(THE SLEDGE TEAMS)


(geplaatst op 03-02-2004)

terug naar boven