DE MAN DIE MIJ DROMEN DOET

vertaald naar het Engels van Graham Thomson door Henri Thijs

Me, the book.
You...
Saint George's Day, 1997

Ik ben tweeënveertig jaar oud, het leven achtervolgt mij elke dag en duwt mij verder,
ongetwijfeld naar de dood en de vergetelheid.  Zo is dat nu eenmaal en niets kan ik
daaraan doen dan het betreuren telkenmale ik eraan denk.  Als ik er niet aan denk komt
dat geloof ik omdat ik erin geslaagd ben mij daarmee te verzoenen en me zo een periode
van rust toe te kennen.
Anderzijds voel ik het aan alsof ik mijzelf heb voor schut gezet en mijn tijd heb verloren in
vergeefse hoop.  ’s Nachts wanneer de saaiheid van de slapeloosheid nog bitterder dreigt
te worden, wanneer het bekijken van een film de onrust niet wegneemt, hoe spannend of
ruw of pornografisch die ook is; om nog maar te zwijgen van de schaarse optie van een
boek met krachtige verzen, of het dagblad dat ik net uit heb of een toevallig ander
tijdschrift; wanneer ik denk dat het denken nutteloos is geworden, en de liefde niet in
staat is meer dan een klein gedeelte van de povere nacht op te vrolijken.  En ik alle hoop
op het vinden van de warme draad van de slaap heb opgegeven en in het niemandsland
van de nacht ik zelfs geen pluimpje van marihuana wil laten opstijgen, kijkend naar de
verlichte vensters van de gebouwen aan de overkant van de straat die een spelletje van
aan en uit spelen.  Om toch maar niets te laten gebeuren, regent het niet en rijden er ook
geen auto’s voorbij.  De telefoon rinkelt evenmin (waarom zou ie ook op dit uur van de
nacht als ie morgen de hele dag daartoe de kans heeft?).  Het dient tot niets al de
seconden op te tellen zonder een fout te begaan, want zij zijn toch altijd hetzelfde.  Het
kan zijn dat zij minder van elkander verschillen dan een uur van een ander, en zeker minder
dan een dag vergeleken met de volgende.  Ofschoon je op de leeftijd van tweeënveertig
jaar al eens de dagen en de seconden en zelf sommige jaren door elkaar haalt.
Dan herinner ik mij de man die mij dromen doet.  Het is meer dan dertig jaren geleden nu,
maar ik kan hem nog duidelijk zien.  Hij was niet gehaast om mijn souper te onderbreken
en nu is hij niet gehaast om mij naar bed te doen gaan.  En later zal hij ook niet gehaast
zijn om mij in slaap te doen vallen.  Want wat hij wil is mij te overtuigen dat de dingen
gebeuren zelfs wanneer jij dat niet wenst.  De goede dingen, de kwade dingen en, zelfs
meer, de dingen die elke dag gebeuren;  Zoals de tijd die nodig is voor een kind om zijn
avondeten op te peuzelen, zich uit te kleden, zijn pyjama aan te trekken, het bed op te
kloppen en te beginnen luisteren naar zijn dromen.  De man die mij doet dromen
achtervolgt mij niet door de gangen of  roept niet tegen mij om op te passen.  Hij kijkt niet
ongeduldig naar de klok die nu reeds lang voorbij het uur is gegleden dat kinderen naar bed
gaan..  Hij schenkt zelfs geen enkele aandacht  aan mijn langzame, loze gebaren die de
tijd doden, die hem tegen mij opzetten, en de slapeloosheid bevechten die ik morgen weer
zal voelen wanneer de man die mij doet dromen het licht van de slaapkamer aanknipt, neer
gaat zitten op mijn bedeinde en zegt, zoals iemand die de nacht heeft doorgebracht met
het waken over een lichaam:
- Het is tijd om te beginnen met het tellen van de uren van de beginnende dag.
En ik die placht te denken elke dag dat er zovele uren waren waarin de uren van de dag en
de spijt te tellen waren zonder ze te verwensen, dat het precies op dit oenblik was dat ik
moest beginnen met het achtervolgen van de wijzers van de klok.  Van mijn nieuwe
polshorloge om acht uur.  Van de opgewonden wekker van elke nacht om vijf na acht.  Van
de elektrische klok in de keuken om het kwartier.  Van de Zwitserse klok in de eetkamer,
van twintig na naar vijfentwintig na vijf.  Van de grootvadersklokken in de vestibule, die
slaat elk half uur… Nu ben ik vertrouwd met de tijd.  Ik weet hoe lang een seconde duurt
en ik kan ze optellen tot tweehonderd zonder meer dan twee of drie te veel of te weinig te
tellen.  Ik kan nu zelfs een half uur ramen met mijn ogen gesloten zonder meer dan een
halve minuut ernaast te zijn als het acht uur is, vijf na acht, kwart na acht, twintig na acht
en vijfentwintig na acht.  Grootvaders klok slaat elk half uur net op het moment dat de
koord daalt en de hamer van een andere muurklok wordt losgelaten om een laag geluid te
produceren van de metalen spoel die trilt voor de eerste keer en wordt geslagen in een
tweede spel van slagen van twee kwartieren.  Het is dus een half uur.
Bij de bureauklok – zelfs voor hij slaat – kan ik de bruisende energie van de seconden
horen vooraleer hij de kwartieren slaat, en ik hoor ook het wegsterven van het geluid.  En
daarna hoor ik hem op de manier waarop mijn buur hem hoort.   Ik ben tweeënveertig jaar
oud, volledig uitgegalmd, en zelfs nog wat meer.  Iemand feliciteerde mij op mijn
verjaardag, iemand anders heeft er niet aan gedacht en zal het morgen wellicht doen of op
het einde van de maand of volgend jaar, als het hun past.  De meeste mensen echter
denken er niet aan mij te feliciteren omdat zij zelfs niet weten dat ik hier ben en dat ik
woon in deze straat – die sommigen van hen beter kennen dan mijn bestaan – in de stad –
die bijna iedereen kent.  Niet dat zij groter of eleganter of levendiger of meer historisch is
dan vele andere, maar iedereen kent haar, of toch haar naam, en veel mensen kunnen je
vertellen in welk land zij zich bevindt en kunnen ze zelfs lokaliseren op een kaart en je de
weg erheen aanwijzen.  Maar zij weten niet dat ik tijdens vele nachten denk aan hen, een
voor een.  Aan degenen die mij niet kennen en erin slagen hun leven te leiden zonder dat
ook maar een greintje van mij ooit in hun geesten dringt, in tegenstelling tot mij verlicht
door het bewustzijn van het denken aan hen, een voor een.
Enkel als ik erin slaag  mij de man te herinneren die mij dromen doet wordt de nacht veel
vredevoller en gaat zij vlugger voorbij, zoals de verwachting van een schitterende
zomerdag waarover je uitbundig uitwijdt met je vrienden.  



(geplaatst op 22-03-2005)

terug naar boven
JAUME CAPÓ FRAU (Mallorca, 1964)
Copyright © 2002/ 2009 't Prieeltje Online. All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs.  Niets uit deze uitgave mag worden gekopieerd zonder
uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn trademarks van  Het Prieeltje,
Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de
schermresolutie van 1024 x 768