Copyright © 2002/ 2004: Het Prieeltje Online.  All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden
gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn
trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken
met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.  
Seamus Deane kreeg zijn opleiding in de Queen’s universiteit in Belfast en promoveerde
tot  doctor aan de Cambridge universiteit.  Als dichter en literair criticus doceerde hij jaren
lang aan de College Dublin-universiteit en was uitgever van “Field Day Anthology of Irisch
Writing”.  Hij schreef vooral talrijke studies over het Iers literair modernisme, en was de
auteur van “Celtic Revivals: Essays in Modern Irish Literature 1880-1980”, “A Short story
of Irish literature”, en “The French Revolution and Enlightenment in England 1789-1832”.  
Tevens publiceerde hij vier gedichtenbundels, een roman “Reading in the Dark” en talrijke
essays.  Momenteel doceert hij aan de universiteit van Notre Dame.


SPOOKVERHAAL

Een beklemmend verhaal over de kindertijd:” Sommige families…zijn door de duivel
bezeten; het is een vloek die zij nooit van zich af kunnen schudden.”

Toen we nog piepjong waren vertelde Katie ons altijd verhaaltjes voor het
slapen gaan, met goede en slechte feeën, over moeders wier kinderen werden
meegenomen en teruggebracht door de feeën, over spookhuizen, mensen die
ontsnapten aan het gevaar en terugkeerden naar hun families, over gestolen
goud, ongelukkige rijke mensen en hun eenzame kinderen, huizen die terug
veilig en zeker werden na de talloze dreigementen van uitzetting te hebben
overleefd van landeigenaren en politie, heiligen die levend werden verbrand
zonder pijn te voelen, duivels handig en slim die altijd sjieke kleren droegen
en ABN praatten.  Zij hanteerde daarbij zoveel accenten en stemmen dat het
ons nog amper kon schelen te worden opgezadeld met een labyrint van
talen.  Naarmate wij opgroeiden stopte dat natuurlijk allemaal.  Maar toch
gebeurde het nog dat zij ons verhalen vertelde van een andere soort,
beneden in de keuken, als we haar maar in de juiste stemming wisten te
brengen en mijn ouders afwezig waren.  Ik voelde de aanwezigheid van deze
laatsten altijd aan als een soort van censuur op wat Katie nog wel voor ons in
petto had..
“Er was eens die jonge vrouw Brigid McLaughlin genaamd,” begon ze Ellis en
mij te vertellen op een namiddag nadat wij haar hadden geholpen met de was
en gezellig bijeen zaten in de keuken.  Katie in de ligstoel met haar rug naar
het vensterraam en haar voeten op een hoop kussens.  Mijn moeder lag
boven te slapen. “Let wel, dit was lang voor mijn tijd.  Ik hoorde het van de
moeder van jullie grootoom Constantine, God behoedde hen beiden en nog
meer hem, de oude heiden”, lachte ze schamper en zat dan een tijdje te
piekeren.  Wij verroerden niet.  Dit was immers haar stijl om een verhaal te
vertellen.  Als je te veel aandrong, maakte zij het kort en verloor het al zijn
charme. “Brigid werd privaat ingehuurd om te waken over twee kinderen,
twee wezen, een jongen en een meisje, die woonden ver beneden in het
zuidelijk deel van Donegal waar men nog altijd Iers sprak, maar een Iers dat
zo oud was dat vele andere Ierssprekenden het niet meer konden volgen.  
Brigid was vroeger opgevoed daar vooraleer ze naar Derry verhuisde zodat
de taal voor haar geen enkel probleem opleverde.  Wat er ook van zij, de oom
van de kinderen ging op reis naar vreemde werelden en hij zocht iemand om
op de kinderen te letten en ze ook een beetje op te voeden. Wat nu
bijzonder vreemd was aan deze kinderen was hun namen.  De jongen heette
Francis en het meisje Frances.  Zelfs in het Iers kon je de namen niet apart
uitspreken tenzij bij het schrijven.  Niemand weet waarom hun ouders hen zo
doopten.  De ouders zelf waren omgekomen door cholera tijdens de periode
van de grote hongersnood, terwijl hun kinderen het overleefden en niet
omkwamen van de honger.  Hoe het ook zij, deze jonge vrouw – Brigid –
werd belast met de taak voor hen te zorgen.  Zij kreeg een jaarcontract
getekend in haar vaders huis.  Het stipuleerde dat zij gedurende dat hele jaar
constant bij de kinderen moest blijven en ze ook nooit uit het huis zelf mocht
laten gaan.  In alles wat zij nodig had werd voorzien bij de winkeliers in het
dorp een paar mijlen verderop; de oom had dat alles tot in de puntjes
geregeld.  Zo vertrok zij dus naar dit groot boerenhuis in het midden van
nergens om te zorgen voor Frances, het meisje, dat negen jaar was, en
Francis de jongen, die zeven jaar was.  
Zij schreef regelmatig naar haar vader thuis tijdens de eerste maanden en
alles scheen naar wens te verlopen.  Tot opeens de correspondentie ophield.  
Het was enkel nadat alles voorbij was dat de mensen vernamen wat er was
gebeurd.  
De kinderen waren mooi, bijzonder het meisje.  Zij was donker.  De jongen
blond.  Zij spraken enkel Iers.  Brigid leerde hen alles wat zij wist, elke
ochtend twee uren lang en elke namiddag een uur.  Maar zij hadden een
gewoonte, vertelden ze Brigid, die ze elkander hadden beloofd nooit te
breken.  Elke dag gingen zij naar het veld achter het huis, waar hun ouders
lagen begraven, om bloemen te zetten op het graf en daar een poos te
blijven zitten.  Zij vroegen haar altijd van hen dan alleen te laten; zij kon
desgevallend hen altijd observeren vanuit een raam op de verdieping.  Wat
Brigid dan ook gewillig deed.  En alles ging goed.  Maar na een bepaalde tijd ,
bij het einde van de zomer, trachtte Brigid hen dat af te leren want het werd
vaak al vochtig en te koud.  Maar de kinderen bleven volharden en waren niet
te vermurwen.  Op een bepaalde barslechte dag in de herfst, toen de regen
met bakken uit de hemel viel en de wind huilde, liet zij hen niet meer toe van
te gaan.  Zij was vastbesloten niet toe te geven ditmaal.  Maar de kinderen
daarentegen bleven koppig aandringen zodat zij hen tenslotte opsloot in hun
kamers om er resoluut een eind aan te maken.  Ze mochten het graf van hun
ouders enkel nog bezoeken bij goed weer, want zij wou ten allen prijze
vermijden dat ze zouden ziek vallen.  Na een fikse ruzie, de eerste die zij ooit
hadden, gingen de kinderen naar hun kamers en dook ook Brigid een weinig
later onder de lakens.  En wat er nu volgt gaan jullie waarschijnlijk niet
geloven.  Maar het is zo waar als Gods woord.  Want wat denken jullie wat zij
de volgende ochtend vond in de kamer van de kinderen?  Ze zag dat de
jongen nu donkerharig was, zoals zijn zuster was geweest, en het meisje had
de blonde haardos van de jongen.  En zij schenen daar zelf niets van te
merken.  Zij zeiden haar dat zij altijd zo waren geweest en dat zij zich van
alles voorstelde.  Je kunt je indenken dat de arme Brigid dacht dat zij haar
verstand aan het verliezen was. Zij onderzocht hen nauwkeurig opnieuw, zij
ondervroeg hen, en dreigde hen geen eten meer te geven totdat zij haar de
ware toedracht zouden onthullen.  Maar zij zaten daar maar gewoon en
zegden dat zij degene was die volledig van streek was.  
Goed, zei Brigid, we zullen zien wie hier waanvoorstellingen heeft.  We gaan
naar het dorp.  We gaan naar de pastoor.  We confronteren jullie beiden met
iedereen die we tegenkomen en zullen zien wie de waarheid spreekt.  De
kinderen stemden daar onmiddellijk mee in en zo begaven zij zich naar de
pastorij en wachtten hem daar op in de eetkamer.  Brigid ging opgewonden
zitten, stond op, ging weer zitten terwijl de kinderen, beleefd en braaf als zij
altijd waren, voor haar zaten op de hoge leunstoelen, rustig en zelfverzekerd
als twee volwassenen.  Toen de pastoor binnenkwam ging Brigid recht naar
hem toe en zei: “Vader, vader, uit liefde voor God, kijk naar deze twee
kinderen, Francis en Frances, en zeg me wat er toch gebeurd is, want ik weet
niet of zij zich in de handen van de duivel of wat dan ook bevinden.”  En de
pastoor, zeer verrast en opgeschrikt, keek naar haar, keek naar hen, nam
haar bij de pols en liet haar gaan zitten, schuddend met zijn hoofd en haar
vragend wat zij eigenlijk bedoelde met wat ze zei.  Maar de kinderen, riep zij
uit, kijk naar de kinderen, ze zijn veranderd, ze hebben hun hoofdkleur
verwisseld.  Kijk! Zij wees naar hen en daar zaten ze, kijkend naar haar en de
pastoor, en ze hadden de haarkleur die ze altijd al gehad hadden, het meisje
donker, en de jongen blond.  We hebben het haar al gezegd, zeiden ze tegen
de priester, we zijn altijd zo geweest, maar zij beweert dat onze haarkleuren
zijn verwisseld en zij maakte ons bang.  Beiden begonnen dan te huilen en
Brigid begon te wankelen, en de priester liep als een snuivende kat naar hen
toe om iedereen te kalmeren.  Arme Brigid!  Zij wist dat de priester dacht dat
zij vreemd deed, en de kinderen schreeuwden zo luid hun protesten uit en
deden zich zo geniaal ontzet voor dat zij ook aan haarzelf begon te twijfelen.  
Vooral omdat de kinderen hun vroeger uitzicht behielden dagen aan een stuk.
Daarom hoe slecht of goed het weer ook was, Brigid liet hen opneuw toe de
graven van hun ouders te bezoeken en bleef hen observeren vanuit het
vensterraam van de bovenverdieping en zag nooit iets verkeerds.  Maar toch
kon zij de slaap niet vatten ’s nachts omdat zij wist, en overtuigd bleef, dat
zij zich zeker niet vergist had. Vooral ook omdat de kinderen hun complex
gedrag behielden dagen en dagen aan een stuk na die gebeurtenis.
Zij kon zich nog kristalhelder herinneren bij het bekijken van hen en het
strelen van haar hand door hun haar dat de huid van de jongen donker was
en die van het meisje wit en rose zoals eerst de jongen eruitzag.  Zij wist dat
zij zich dat helemaal niet verbeeld had en toch leek het zo.  Zij lag in bed
biddend op haar paternoster en vaak de tranen uit haar ogen schuddend,
omdat zij besefte dat zij ofwel gek was, of geconfronteerd werd met iets heel
vreemds in dat huis en met angstwekkende kinderen.  
Van al die slapeloosheid begon zij heen en weer te lopen in haar kamer en nu
en dan trok zij het gordijn weg van het raam om naar buiten te kijken naar
de linkse kant, naar het veld waar het graf lag.  Het was niet langer geleden
dan een week dat zij een bezoek bracht aan de pastoor dat zij op een nacht
uit het raam keek en tot haar verbijstering een soort van groen licht zag
zweven over het graf, en in dat licht zag zij de kinderen staan, hand in hand,
starend naar de grond van waaruit het licht scheen op te doemen.  Zij was zo
verschrikt dat zij terwijl zij haar angst wou uitschreeuwen geen woord over
haar lippen kreeg; wanneer zij wou bewegen voelde zij zich totaal verlamd,
wilde ze beginnen te wenen en voelde haar ogen kurkdroog aan in haar
hoofd.  Zij wist niet hoe lang zij daar zo stond maar begon tenslotte te
bewegen en dwong haarzelf naar buiten waar ze hun namen – Francis,
Frances, Frances, Francis – luid begon te roepen opnieuw en opnieuw terwijl
ze rende langs de gang.  Daarmee hoorde zij hen, in hun slaapkamers
roepen, en liep naar binnen om ze ontwaakt en opgeschrikt en nog steeds
warm en droog, en met de slaap in hun ogen aan te treffen.  Zij bracht ze
naar haar kamer en legde ze beiden in haar bed, besprenkelde ze met gewijd
water, en vroeg hen te bidden en zeker niet bang te zijn en begaf zich daarna
onmiddellijk naar het raam om te kijken en zag dat alles donker was – er viel
geen groen licht meer te bespeuren en geen spoor van de kinderen aan het
graf.
De nacht ging aldus voorbij.  De kinderen sliepen.  Zij lag in bed langs hen en
drukte ze zo dicht mogelijk en voorzichtig tegen aan haar om ze toch maar
niet te wekken.  Maar wanneer zij ontwaakten en naar het ontbijt vroegen en
naar wat gebeurd was, begon zij koud te trillen over haar lichaam.  Want nu
waren hun stemmen veranderd.  De jongen had nu de stem van het meisje
en het meisje die van de jongen. Zij drukte haar handen tegen haar oren en
sloot even haar ogen.  Daarna zei ze tegen zichzelf van even kalm te blijven.  
Zij wist dat ze dat degelijk moest controleren.  Zo vroeg zij de kinderen om
met haar naar de badkamer te komen en zich te wassen voor ze gingen
ontbijten.  Zij hielp hen uit te kleden alhoewel zij dat gewoonlijk zelf al dat
deden. En wonder boven wonder ontdekte ze dat ook hun geslachten waren
veranderd.  De jongen was nu een meisje en het meisje een jongen.  En
beiden gaven daar niet de minste aandacht aan.  Zij wasten zichzelf en zeiden
niets.  Zij maakte het ontbijt klaar, gaf hen les en liet ze buiten spelen onder
de appelbomen in de tuin.  Zij wist, zei ze bij zichzelf, dat als zij de kinderen
bracht bij de pastoor of de dokter, dezelfde taferelen zich zouden herhalen
als de vorige keer; zij zouden wellicht weer terug veranderen zodat zijzelf er
weer als een waanzinnige werd aangezien.  Zij wist nu ook al, dat als zij het
huis verliet – zelfs wanneer zij daartoe de mogelijkheid had, want daar was
weinig of geen transport voorhanden en zeker niet om zo ver naar het
noorden van Derry te gaan en zij kon aan geen andere bestemming denken –
er iets ernstigs zou gebeuren.  Zij was zich bewust dat zij werd belaagd door
het kwade, en dat de kinderen haar zouden worden ontnomen door wie of
wat het ook was in dat graf in de achtertuin. Oh, zij voelde dat aan zonder
precies te weten hoe dat kwam. Maar voor haar stond dat als een paal boven
water".
Katie dacht even een lange poos na.  De klok op de schouw tikte
onverstoord.  Eilis boog naar voren in haar stoel terwijl haar haar viel over
haar gezicht. Ik wou gluren in de scheerspiegel tegen de muur om zeker te
zijn dat mijn haar nog steeds donker was.  Katie peinsde verder.  Een kool in
het vuur kraakte, en kleine blauwe vlammetjes hesen zich omhoog.  Geen
geluid was te horen van boven.  Er zijn families, vertelde Katie ons, die door
de duivel zijn bezeten; het is een vloek die men nooit van zich af kan
schudden.  Misschien is het iets verschrikkelijks uit de familiegeschiedenis, een
afschuwelijke daad begaan in het verleden die uitdeint, die verder wordt gezet
in de volgende generaties zoals een roep diep in een tunnel die maar blijft
echoën en echoën en nooit stopt.
Nu wilde ik dat zij zou stoppen, maar zij ging verder.  Ik wenste dat mijn
moeder terug zou ontwaken of dat iemand zou binnenkomen en storen.  
Maar iedereen scheen weg te zijn.  Binnen een uur zou het huis weer vol
leven zijn met mensen, Katie zou zich haasten om het eten gereed te maken,
ik zou de eettafel afschrobben, Eilis zou beginnen te rammelen met het
opdienen van het bestek.  Mijn vader zou aankomen, mijn moeder
binnenkomen, mensen zouden beginnen te praten over koetjes en kalfjes, de
radio zou worden aangezet voor het nieuws.
Hoe dan ook, hoe dan ook, Katie ging verder, terwijl ze haar hand met een
draaiende beweging wreef over haar breed, vriendelijk gezicht." Hier stond nu
dat arm meisje, opgesloten met iets raars en met twee vreemde kinderen die
over en weer van gedaante verwisselden voor haar eigen ogen.  Zij schreef in
een dagboek al de veranderingen op die zij waarnam, verandering van jongen
naar meisje, veranderingen in averechtse richting terug naar wat zij waren
toen zij hier aankwam.  Sommige veranderingen waren minder substantieel
dan anderen.  Nu eens was het de kleur van de ogen.  Die van het meisje
waren dan blauw, alhoewel zij nog steeds donkerharig was en een olijfkleurige
huid had; die van de jongen bruin.  Dan weer was het hun grootte.  Het
meisje was normaal een beetje kleiner dan de jongen, opeens had zij de
lengte van de jongen en de jongen die van haar.  Dan zag zij weer hun
tanden veranderen.  Zij had zijn glimlach, en hij die van haar.  Zo ging het
ook met hun oren.  Hun handen.  En zo maakte zij gedurende tweeëndertig
dagen al deze veranderingen mee.  De kinderen bleven slapen in haar kamer,
en tijdens zeven nachten van de tweeëndertig dagen zag zij het groenachtig
licht boven het graf en de figuren van de kinderen daar staan hand in hand,
zelfs al lagen ze daar te slapen in haar bed in de kamer bij haar.  
Ondertussen was het al laat in november geworden.  Zij leefde alsof zij elke
minuut zou kunnen exploderen maar zij probeerde haar paniek te
onderdrukken.  Als iemand op bezoek kwam – de pastoor, de dokter, een
leurder – zagen de kinderen er helemaal normaal uit.  En hoe vaak ze ook
toekeek, zij kon nooit het moment vatten waarop zij veranderden van de ene
toestand in de andere.  Dan opeens ging alles veel slechter.
Zij was net Frances’ haar aan het borstelen tegenover een lange, losstaande
spiegel die je kon draaien in alle richtingen.  Hij had een houten kader, een
mengeling zei ze van twee houtsoorten: de ene heette vogeloog-esdoorn en
de andere rooshout.  Zij had dat niet geweten als de kinderen het haar niet
hadden verteld.  Die kenden elk detail van elk meubelstuk, porselein,
beeldhouwwerk, vloerbekleding en behangpapier, van elke schilderij ook en de
klokken in het huis.  Zij kenden de namen van de plaatselijke mensen
waaraan de gronden waren verpacht inclusief de voorwaarden van de huur, zij
kenden de grazers in de verschillende weiden – alles!
Zij was net klaar met het borstelen van het haar van het meisje en met het
kammen van de laatste lokken, toen zij opkeek en zichzezelf zag in de
spiegel, staande daar met de borstel in een hand en de andere hangend in de
lucht alsof die iets vast hield.  Maar het meisje was er niet, was niet te zien in
de spiegel, alhoewel Brigid haar aanraakte en de lokken van het haar van het
meisje in haar hand hield.  Zij stond daar doodstil, weifelend op haar benen,
maar zichzelf recht houdend met een laatste krachtinspanning. Ook de
jongen was in de kamer en kwam naderbij om haar te vragen het borstelen
snel te beëindigen want hij wou naar beneden gaan om te gaan spelen met
zijn zuster.  Hij kwam even voor de spiegel staan en ook hij verdween
ineens.  Brigid vroeg hen om eens te kijken en vroeg hen of zij zichzelf
konden zien?  En zij antwoordden bevestigend en lachten schuchter.  En zij
konden haar ook zien, zeiden ze.  De grootvadersklok in de slaapkamergang
sloeg op dat moment tien keer.  Zij herinnnerde zich dat nog, want zij had ze
meegeteld.  Het was tien uur in de ochtend van de 21ste november.  En die
klok bewoog geen seconde meer daarna.  Hij stopte en functioneerde nooit
meer opnieuw.  Nu wist zij dat toen big niet maar dat was het uur en de dag
dat de ouders van deze kinderen stierven vijf jaren geleden. Beiden stierven
op hetzelfde uur.  En vanaf dan gingen de kinderen niet meer buiten naar het
graf elke dag.  Het was dan ook dat de veranderingen ineens ophielden.  Het
was dan ook,  beweerde zij te weten, dat de twee mensen in het graf buiten
het huis hadden betreden.  Zij ging naar de pastoor en vroeg hem om te
komen en het huis te zegenen, wat deze laatste prompt deed.  Hij wandelde
doorheen heel het huis met de hostie in de hand en Latijnse gebeden
prevelend terwijl hij gewijd water sprenkelde op alle deuren, uitgangen en
ingangen.  Toen hij daarmee klaar was vroeg hij Brigid waarom zij alle
spiegels in het huis had toegedekt.  En zij vertelde het hem. Hij beval haar
dan de kinderen bij hem te brengen tegenover de grote spiegel in de
slaapkamer en hij nam het purperen kleed weg dat zij erover had gevouwd.  
En daar stond iedereen helemaal normaal.  Hij was van plan iets te
ondernemen zei hij en beloofde haar te schrijven naar de oom om te zien wat
er best kon worden gedaan.  De dokter zou regelmatig langskomen om haar
te onderzoeken  en hij beloofde ook zijn huishoudster regelmatig te sturen
om haar te helpen.  En weldra zou het januari zijn en kon zij terug huiswaarts
keren want de oom zou tegen dan wel teruggekeerd zijn. En daarmee was de
zaak voorlopig afgehandeld.  Maar wanneer Brigid terug alleen was, zoals het
hoorde, voelde zij a.h.w. de aanwezigheid van de dode ouders overal
opnieuw; het huis was veel kouder en weer zag zij dikwijls het groen licht
onder de deur van een van de slaapkamers die zij had afgesloten, of een
wegglijdende schemer ervan op het einde van de bovengang of nog een
uitdunnend straaltje rond het raam telkens zij een kamer betrad.  Dan op een
nacht, vertelde ze, kwamen ze voor de kinderen die als gewoonlijk in bed
lagen.  Ze lagen daar wakker, konden niet slapen en het meisje begon een
lied te zingen dat Brigid nooit eerder had gehoord in een taal die niet Iers
noch Engels was, en de jongen viel haar bij.  Brigid stond voor hen met een
kruis in haar hand, biddend en biddend terwijl zij over heel haar lichaam
kippevel kreeg.  Die kinderen lagen daar, zei ze, met hun stemmen in een
koor, dit droevig langzaam lied te zingen, terwijl alle veranderingen die zij
vroeger bij hen had opgemerkt, een voor een, vlugger en vlugger, te
voorschijn traden in zulk een tempo dat zij op het einde niet meer wist wie de
jongen of het meisje was.  Het hele huis daverde als van het geluid van zware
voetstappen op de houten trap. Het groene licht kwam in de kamer en
verspreidde zich overal en met het licht kwam ook dit fluisteren van stemmen,
een mannen-en vrouwenstem, fluisterend, fluisterend, vurig bijna alsof zij
hun ergernis uitspuugden behalve dan dat de stemmen droog waren, en
zweefden als stof dwarrelend in de wind.  De kinderen stopten dan hun
gezang en zaten rechtop in bed, hun ogen puilend uit hun kassen, hun
monden open zonder geluid, hun armen uitgestrekt naar Brigid.  Zij opende
haar armen, liet het kruis op het bed vallen en zij zegt dat zij hen voelden,
hun handen en armen, voelde ook haar eigen handen die hun schouders
aanraakten en daarmee verdween het groene licht, het fluisteren hield op en
de kinderen waren weg.  Alles dat overbleef was de warmte van het bed, de
vouwen in de hoofdkussens en de fluitende wind buiten.
Zij haalde de pastoor uit zijn bed in het midden van de nacht en hij kwam
mee met haar lopend over de weg terwijl hij de knopen van zijn lang kleed
toeknoopte, en haar maar verweet dat zij de kinderen niet alleen had mogen
achterlaten, dat dit nog de laatste strohalm was waaraan zij zich had kunnen
vastklampen om naar huis te gaan. Maar wanneer zij het lege huis bereikten
en zochten en geen kinderen vonden begon hij haar te beschuldigen van de
kinderen te hebben weggedaan en dreigde hij naar de dokter te gaan die een
paard en kar had om de politie erbij te halen.  Ach, Mijnheer Pastoor, zei ze
doe dat maar.  Doe wat je moet doen.  Maar voor je dit doet, kom mee met
mij naar de achtertuin.  Zij leidde hem naar het graf, en daar zagen zij de
beide kinderen, en het groene licht zweven over de berg aarde en helder als
het lied van de leeeuwerik, hoorden zij de stemmen van de twee kinderen die
hun vreemd lied zongen, komend uit het hart van het licht zongen ze en
zongen hun vreemd lied.  De pastoor sloeg een kruisteken en viel op zijn
knieën en zo deed Brigid, en zij bleven daar in de wind en de regen tot de
morgen kwam en het groene licht wegdeemsterde samen met het gezang.
De kinderen werden nooit meer gezien.
Al de spiegels in het huis hadden gestraald, alle klokken waren blijven
stilstaan om tien uur, enkel de kleren van de kinderen waren achtergebleven
als bewijs van hun aanwezigheid voorheen.  God alleen weet wat de oom
dacht toen hij terugkeerde.  Brigid was naar huis gegaan, de oom kwam haar
bezoeken en sprak met haar, zij sprak met iedereen die wou luisteren
gedurende bijna zes maanden na haar terugkeer, zij kreeg vreemde
gewaarwordingen in haar hoofd en de mensen sloegen een kruisteken
wanneer zij haar zagen en maakten zich vlug uit de voeten.  Dan stopte
Brigid ineens met praten.  Tot de dag waarop zij stierf heeft zij nooit meer
gesproken, verliet zij nooit meer haar kamer en heeft zij nooit nog een
spiegel bij haar gewild.  Enkel en alleen op 21 november van elk jaar kon je
haar boven in haar kamer een lied horen zingen met woorden die niemand
kon verstaan, een lied dat niemand ooit had gehoord en dat het lied moet zijn
geweest dat de kinderen zongen op die bewust nacht lang geleden in het
zuiden van Donegal slechts vijf jaar na de hongersnood.  En de vloek rust op
die familie tot op de dag van vandaag".  

Uiteindelijk ging mijn moeder naar boven, de klokken van de kathedraal
begonnen te luiden en de geruchten van de wereld buiten kwamen
binnengesijpeld als Katie een kruisteken maakte, lachte en haar hoofd
schudde naar iets, en mij vroeg om de schrobborstel en warm water te gaan
halen voor de tafel.  Eilis zat daar terwijl haar blond haar viel over haar
beschaduwd gezicht.

Bron: Granta


(geplaatst op 14-04-2005)

terug naar boven
Seamus DEANE
keuze en vertaling: Henri Thijs