Copyright © 2002/ 2005: Het Prieeltje Online.  All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden
gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn
trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken
met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.  
WEGENS DOKTER MOREAU
[ Por culpa del doctor Moreau ]


-1-


Alles kan er gebeuren in dit leven: en zo kwam er ook het ogenblik waarop Marina me
zegt:
- ik wil dat je kennis maakt met mijn ouders.

-2-

Dat kan al meer dan een decennium geleden zijn: het deed zich voor op een vochtige
namiddag in de zomer dichtbij het station van Acassuso, en in de schaduw van een
eucalyptus die werd gewiegd door een wind die ons de geur bracht van verre regens.  
En toch, kan ik me niet het gezicht herinneren van Marina. Ik weet zonder enige twijfel
dat ze knap was: en het is waar dat ik op haar verliefd was.  En ik moet  beklemtonen
dat zij bloedmooi was; dat feit staat als een paal boven water.  Wat meer wist ik nog
van haar?  Wat kon ik me nog herinneren van Marina?  Zij was groot, zij was bruin, zij
was blijmoedig, zij was onschuldig, zij was eenvoudig, onwetend en oneindig teder.  
Zouden haar herinneringen de dag van vandaag even gebrekkig zijn als de mijne?  En
dan te denken hoeveel keren wij tegen elkaar zeiden dat we voor elkander gemaakt
waren.

-3-

Wij waren ongeveer vijfentwintig jaar.  In die tijd lukte mij alles.  Ik kende geen
tegenslagen en als ik haar al een keer had ontmoet, was ik haar zo weer vergeten.  Ik
had een argeloze en optimistische visie van het universum.  Ik vertrouwde op de
eerlijkheid van de regeringen, op de promotiekansen die mijn werk mij zou
verschaffen, op het succes in mijn studies, op de waardigheid van de mensen.  Ik
leefde in de beste der bestaande werelden.  Enkele lichte en vermijdbare obstakels
daargelaten, volgden al mijn projecten de weg die ik voor hen had uitgekozen.  Ik was
van plan met Marina te trouwen binnen een termijn van maximum een jaar.  En ik had
niet de minste reden om aan te nemen dat ik dit plan binnen het jaar niet zou
uitvoeren.  En zoals alles kan gebeuren in dit leven, kwam er ook het moment waarop
Marina me zegt:
- ik wil dat je kennis maakt met mijn ouders.

-4-

Mevrouw Stella Maris, haar moeder, was een rijpere versie van Marina (die zich in
werkelijkheid noemde op een meer kakofonische wijze Marina Ondina).  Ik leidde uit
haar af dat Marina er zo ook zou uitzien binnen twee decennia, wanneer wij op onze
beurt de ouders waren van een jong meisje die een naam zou dragen met een minder
sterk rijm: zo was het objectief op lange termijn dat ik mij inbeeldde op het ogenblik
dat ik haar groette.  Het spreekt dus vanzelf dat Stella Maris een grote, bruine,
lachende en elegante vrouw was van ongeveer vijfenveertig jaar.  Maar de vader van
Marina was in feite de meest afschuwelijke man die ik ooit gekend in mijn leven.  Hij
had een ingekrompen, kleine gestalte.  Dat op zich was niet erg.  Niemand kon daaruit
afleiden dat hij een dwerg was: hij was slechts gewoon een man met een kleine
gestalte.  Maar wat onaanvaardbaar leek, was dat zijn hoofd alleen al meer dan de
helft van zijn gestalte innam.  En wat een hoofd, mijn God!  Het eerste kenmerk dat mij
opviel (of, juister gezegd, me tegenstak) was zijn kleur, een kleur onaangepast aan
een huid.  Men zou gezegd hebben een weefsel variërend van roze naar zwart, met
alle tussennuances, zo gevoelig voor het licht, dat het mij verplichtte met de ogen te
knipperen bij elke reflectie in mijn richting.  Tegelijkertijd merkte ik op dat deze huid
vochtig was en men kon veronderstellen – alhoewel ik ze nooit had aangeraakt – dat
ze ook kleverig leek.  Hij had geen haren, noch baard en het was duidelijk dat hij er
nooit gehad had: een simpele observatie was trouwens voldoende om aan te tonen
dat geen enkel haar-spier het ooit aangedurfd had op dat hoofd te groeien.  Het
bovenste gedeelte liet vrezen dat het een perfecte bol was, maar dat perspectief werd
verstoord want, een beetje lager, werd het een perfect halfrond, vertrekkend van wat
de evenaarslijn had kunnen zijn (min of meer op de hoogte van onbestaande oren),  
werd het hoofd omgevormd in een cilinderachtige kolom, om zich dan te verliezen,
zonder de overgang naar een hals te tolereren, in de plooien van een soort gele
tuniek, in sponsuitvoering, die hem bedekte tot aan de voeten zonder dat men erin
slaagde een uitstulping overeenstemmend met schouders te ontdekken.  Anders
gezegd, de vader van Marina had van top tot teen dezelfde diameter.  Hij was een
monoliet met afgeronde top, die iemand had vervaardigd tot aan zijn middel in een
groot servet van een geel bad.  Op enkele centimeters boven de toga bevond zich zijn
mond, of juister gezegd een mobiele en tandeloze spleet, flexibel en hoornachtig
tegelijk, die zich zo samentrok of verwijdde dat zijn mondhoeken reikten tot aan zijn
hals.  Men had de indruk dat mijnheer Octavio een onthoofde was waarvan het hoofd,
rustend op een kleine
basis die een argeloze beul niet opgemerkte had, van het ene moment op het andere
luid kon vallen op de grond van zodra de meest uitgehongerde vlieg er zich ging op
vestigen.   Hij had geen oren, noch neus: die plaatsen leken zo glad en gepolijst als
zijn kaalheid; niets, geen litteken, geen rimpel, niet het geringste teken.  Ogen had hij
wel en zelfs twee: buitenmaats, rond, ingespoten met bloed, zonder wenkbrauwen,
wimpers, zonder wit noch pupil, bewegingloos en zonder uitdrukking

-5-

- Octavio staat op dieet – vertrouwde madame Stella Maris me toe toen zij merkte dat
ik de grote schotel bekeek die voor hem stond.
Madame Stella Maris, Marina en ik aten om zo te zeggen het gewone eten.  Het bord
van mijnheer Octavio daarentegen leek ons eerder op een soort anthologie van de
zeefauna.  De doordringende geur van vis drong diep in mijn neusvleugels, zelfs tot
aan mijn ogen, en deden ze tranen.  Daar mijn toekomstige schoonvader zijn handen
gewikkeld hield in de toegebonden mouwen van zijn tuniek, ging hij met het bestek om
als iemand die zijn handschoenen was vergeten uit te trekken.  De opeenvolgende
schotels vis, week- en rauwe schaaldieren werden vlug en gulzig geledigd door
mijnheer Octavio.  Op het eerste gezicht had ik uitgerekend dat hij wel minstens vijf
kilo’s van deze veelkleurige dieren had binnengespeeld.  Ik had inktvissen, grijze
garnalen, oesters, krabben, schelpdieren, kwallen, mosselen, schalen, zeesterren, zee-
egels, koralen en sponsen de revue zien passeren alsook nog andere onherkenbare
vissen.   
- Octavio staat op dieet – bevestigde madame Stella Maris nog eens bij het einde van
het eten. Gaan wij naar het salon om koffie te drinken?
Ik liet mijnheer Octavio voorgaan en merkte dan zijn speciale manier van gaan op.  Hij
deed het op onregelmatige wijze, hetzij door eerst een snelle pas te zetten, en
vervolgens een zeer langzame, zonder dat er sprake kon zijn van een afwisseling die
kon wijzen op een soort kreupelheid.  Zijn manier van gaan had gelijkenissen met een
auto waarvan het eerste wiel rechthoekig, het andere langwerpig, het volgende rond
en het vierde ovaal was.  Ik heb al gezegd dat de gele toga hem helemaal bedekte
met uitzondering van het hoofd.  Het voeteneinde was ook zeer ruim en sleepte over
de grond als het kleed van een bruid.
Madame Stella Maris plaatste een klein dienblad met koffietassen op een lage
achthoekig gesculpteerde tafel, geflankeerd door twee fauteuils.  In de eerste namen
Marina en ik plaats; tegenover ons aan de andere kant van de tafel mijnheer Octavio
en zijn echtgenote.  Dan merkte ik ineens een ander pikant detail op dat ik tijdens het
diner niet opgemerkt had.  Als mijnheer Octavio praatte in de sectie van de open
cilinder van zijn tuniek, begonnen zich reflexbewegingen te manifesteren alsof
onzichtbare armen met hun gebaren de belangrijkste onderdelen van het gesprek
vergezelden.  Dat gaf dan de indruk dat het lichaam van mijnheer Octavio te koken
stond: zo hevig en frequent waren de gele bellen die de toga vormde.  
Mijnheer Octavio was zeer spraakzaam, met een ontembare neiging om het gesprek te
monopoliseren.  Hij sprak en sprak en sprak.  Ik, daarentegen, ik luisterde niet eens.  
Ik dacht: ”Maar hoe is het mogelijk dat deze monsterachtige man Marina heeft kunnen
verwekken, mijn bekoorlijke, mijn mooie en engelachtige Marina?”  Opeens kwam de
gedachte bij mij op dat Madame Stella Maris tijdens haar jeugd misschien haar
echtgenoot ontrouw was geweest en dat Marina bijgevolg de vrucht was van een
ongeoorloofde liefde.  Onmiddellijk vervoerd door deze gedachte begon ik
medeplichtige blikken van solidariteit te werpen naar madame Stella Maris – gelukkig
was zij zich daar niet in het minst van bewust – als om haar te doen verstaan dat ik
haar geheim had ontdekt, maar niet van plan was het te onthullen. Integendeel,
helemaal integendeel: ik keurde zonder enig voorbehoud haar avontuur goed,
accepteerde alles, behalve dat dit praatziek en babbelend monster de vader was van
mijn Marina.
Een vraag aan mij gesteld bracht mij terug naar de realiteit.  De conversatie was
afgegleden naar het thema van de ziekten.  Madame Stella Maris mengde zich met
enthousiasme in de ontwikkeling van dit onderwerp dat haar blijkbaar goed lag.  
- Jij voelt je nu als een vis in het water – onderstreepte mijnheer Octavio.
Zij glimlachte hooghartig en vervolgde.  Zij had, op dat vlak, een magnifiek curriculum
vitae:
operaties, breuken, infarctus, hepatitische infecties, zenuwstoornissen…Ik, bescheiden
dat ik ben, had tot nu toe mij buitengewoon stil gehouden.  Marina deed mij met haar
blik tussenkomen in het gesprek.  Voorzichtig haalde ik enkele astma-aanvallen naar
voren die mij van tijd tot tijd het leven zuur maakten.  
- Wat betreft astma – zegt mijnheer Octavio, met zijn volle stem vol bellen – is er niets
beter dan de zee.  De zee is veel doeltreffender dan al die rotzooi die de dokters
voorschrijven, behalve natuurlijk levertraan.
- A.u.b. Octavio – hernam zijn vrouw – zeg dat niet want op een keer heb ik in Mar del
Plata een verkoudheid opgelopen die meer dan twee maanden heeft aangesleept.
- Zie je? – zegt stilletjes mijnheer Octavio – Het is omdat de vis zijn bek opent dat hij
zich laat vangen.  Herinner je je niet meer dat je die bepaalde verkoudheid hier hebt
opgelopen, op enkele kilometers van Buenos Aires, toen wij op weg waren naar Mar
del Plata, en niet in Mar del Plata zelf.  Er is niets beters dan de zee voor de
gezondheid.
- Zeker, zeker – zei iedereen, beaamden wij met overtuiging -; het  maritiem klimaat,
de jodium, het zand…
- Niets beter dan de zee – herhaalde mijnheer Octavio, op zijn ontegensprekelijke
autoritaire toon-.  Acht dagen in de zee et vaarwel uw astma!  Moest ik jou gezien
hebben, kan ik mij dat  toch niet meer herinneren.  
- Ja, papa, gaf Marina toe-.  Jij houdt van de zee omdat jij van Verseau bent, maar er
zijn ook mensen die zich daar niet goed mee voelen… Ik, bijvoorbeeld, ik ben van
Poissons…
- En ik- zegt Madame Stella Maris – ik kom van Cancer, ik houd ook niet zoveel van de
zee…
- Wat mij betreft – bekende Marina – de zee maakt mij nerveus.
- Integendeel – repliceerde mijnheer Octavio-.  Dat is slechts een kwestie van
aanpassing van het organisme.  Eens dat je daaraan gewoon bent, zul je merken hoe
de zee jouw zenuwen zal kalmeren.
- Van zenuwen gesproken- onderbrak madame Stella Maris haar man - de angst die wij
gehad hebben in het vliegtuig toen wij terugkeerden van Rio de Janeiro…
- Ik had je gewaarschuwd – het leidend principe in het gedrag van mijnheer Octavio
bestond erin iedereen tegen te spreken die zijn mening niet deelde op dat moment-.  
Ik had het je gezegd: reis per boot.  De boot is zeker en comfortabel, goedkoop, men
ruikt de geur van de zee, men ziet de vissen…Zelfs als is het vliegtuig veel sneller, er is
geen vergelijking mogelijk.
De kracht waarmee hij die laatste woorden uitsprak liet een bepaalde indruk na
waarop enkele ogenblikken van stilte volgden.  Ik voelde mij niet in staat de
conversatie te hernemen.  In feite, voelde ik mij tot niets meer in staat.  Het
monsterachtig aspect van mijnheer Octavio- alhoewel verzacht door een zekere
paradoxale sympathie die uitging van zijn aanbevelingen-,  zijn waterachtige stem, de
geur van zijn maritiem dieet waren sterke argumenten die mij aanzetten om mij terug
te trekken.  Ik voelde het zweet op mijn voorhoofd en de benauwdheid aan de
halsboord van mijn hemd; mijn benen, zonder dat ik ze kon controleren, schommelden
onophoudelijk op en neer.  Ik was ongerust en zou zelfs durven zeggen ziek.  Ik wou
simpelweg naar huis gaan.  Een onrustwekkende sensatie komend van mijn maag
deed me twijfelen tussen braken en een diarree van de zenuwen.
Maar dit trio van uitbundige breedsprakerigheid was niet te stuiten.  Madame Stella
Maris en Marina, zelfs al weerlegden ze onophoudelijk de stellingen van mijnheer
Octavio, schenen daar niet in het minst door verveeld.  Men zag goed dat dit de
gewone manier was waarop hun conversaties verliepen: mijnheer Octavio, waardig en
kalm, verwierp categoriek alle argumenten van zijn echtgenote en dochter; en voor
deze laatsten scheen dat een natuurlijk gegeven.  
Ik merkte dat men opnieuw mijn mening ging vragen.  Het debat ging nu over wat de
beste plaats zou zijn waar wij onze huwelijksnacht zouden doorbrengen. Marina
stelde zonder overtuiging en toch met stelligheid de heuvels van Cordoba voor, de
Noordelijke provinciën; mijnheer Octavio verkoos resoluut Mar del Plata.
Dat is gezonder – zegt hij – natuurlijker.  Er is de zee, het zout, de jodium, het zand,
de schelpen…er is niets beter dan de zee…
Ik voelde mij gaan flauwvallen.  Ik meende te begrijpen dat Maria pleitte voor een
rustige plaats, met weinig toeristen…
- Jij wenst een rustig oord? – mijnheer Octavio bleef onvermurwbaar – Je hebt San
Clemente, Santa Clara del Mar, San Teresita…Rustige plaatsen, er zijn er genoeg aan
de Atlantische Oceaan!
Met een onmenselijke inspanning, stond ik op en kondigde stilletjes aan dat ik mij ging
terugtrekken.
-Zo vroeg?- zei mijnheer Octavio, kijkend op zijn uurwerk-.  Het is ongeveer acht
minuten voor middernacht.
Het protest dat in zijn woorden klonk, wierp mij terug in de canapé.  Je moest de
kracht eens ervaren van de personaliteit van deze verschrikkelijke man.
Het was met een geringe vreugde dat ik de mogelijkheid begon te overwegen dat een
fles whisky waarmee Madame Maris kwam aandraven me even kon opfleuren.  Ik
leegde mijn glas in een teug.  
-In mijn tijd – zei Mijnheer Octavio-, toen ik jong was, gingen wij dansen in de
danszalen van de haven van Bahia Blanca…
Ik liet mij een ogenblik gaan, mij onderwijl mijnheer Octavio voorstellend als danser.
-…soms dansten wij de hele nacht, tot het ochtendgloren.  De jongeren van vandaag
daarentegen zijn al om acht uur ’s avonds in hun zacht en donzig bedje, onder hun
warm dekentje en met hun bedkruikje…
Ha, ha, ha! Men zou zeggen baby’s uit de kindertuin…
De alleenspraak van mijnheer Octavio, versterkt nog in de finale fase door deze serie
kwetsende beledigingen, hadden de karakteristieke trekken aangenomen van een
persoonlijke aanval.  Ik stond op, vastbesloten van mij terug te trekken zelfs met
geweld als dat nodig bleek.  Gelukkig moest ik zo ver niet gaan.  Mijnheer Octavio
hernam zijn beleefde manieren en, na mij de toegesnoerde mouw van zijn gele mantel
te hebben aangereikt, zegt met een hautaine air van iemand die vindt dat hij een
volmaakte dag gaat beëindigen:
- Goed…- en, achter zijn mouw wreef hij zich de handen -, nu naar bed, met een goed
boek…
Ik beaamde dat met overtuiging.  Ik wou dit huis verlaten.  Als ik daar nog een
seconde langer was gebleven denk ik dat ik zou bezwijmen.
- Ik vergezel je tot op de stoep- zegt me Marina.



-6-


Tussen het huis en de stoep bevond zich de tuin : de plantengeur van de pijnbomen
en de dennen kwam mij tegemoet als een zegening. Ik ademde heel diep, om zo te
proberen de laatste resten van die visstank te verjagen.  En dat lukte blijkbaar:  de
maagstoornissen die mij hadden belaagd verdampten praktisch onmiddellijk
- Heb je mijn arme vader gezien?- zegt Marina.
- Ja- antwoord ik schamper, zonder te weten wat daaraan toe te voegen.
Het gaat veel beter met hem – vervolgde Marina, mij bij de taille nemend, zoals iemand
die mij een bekentenis wou doen-.  Ongeveer een jaar geleden, konden we hem bijna
niet uit het zwembad krijgen.  Dag en nacht lag ie in het zwembad.  Nu, eet hij ten
minste aan tafel en slaapt hij in zijn bed.  Dat is toch al een vooruitgang, niet?
Ze zegt zoveel dingen en ik schenk er geen enkele aandacht aan behalve aan een, de
minst belangrijke:
- Heb jij een zwembad thuis?
- Jazeker, heb ik je dat nooit gezegd?  Achteraan in de tuin.  Ik kan je hem nu niet
laten zien omdat papa zich er nu van bedient.  Alle avonden neemt hij een duik voor hij
gaat slapen.  Zo verteert zijn eten beter.
Ik stelde een idiote vraag:
- Is dat niet slecht voor zijn spijsvertering?
- Integendeel: hij heeft gezouten water nodig.  Daarenboven wordt hij in het water
zeer agressief en herkent hij niemand.  Zelfs ons herkent hij niet.  Van zodra hij weer
vaste grond onder de voeten heeft, is hij zoals je hebt gezien weer vriendelijk en
sympathiek.
Doodvermoeid, zonder te weten wat te doen, keek ik op mijn uurwerk.  Marina
verwachtte iets van mijn kant.
- En de buren? – vroeg ik- klagen die niet?
- Waarover zouden die zich moeten beklagen?  Geluid maakt hij niet.  Een stillere
vader bestaat er niet.  Hij plonst zelf niet.  Hij gaat naar de rand van het zwembad en
laat zich glijden zo glijden: shhh…Haar hand streelde zacht mijn gezicht.  Verschrikt,
deed ik een stap achteruit.  Marina wou mij geruststellen met een kleine plezante
anekdote:
- Op een avond, lag hij half ondergedompeld aan de rand van het zwembad.  Het
hondje van de buren sprong over ‘t hek van de tuin en kwam naderbij om hem te
besnuffelen.  Papa bracht een van zijn armen naar boven en…hop !
En, met een gespeelde glimlach, deed Marina alsof ze mij wou de hals dichtknijpen.  Zij
roerde mij zelfs niet aan : zij zette slechts een pas naar voren en veinsde haar armen
naar mij uit te steken.  Tijdens deze demonstratie leken haar armen een ongekende
soepelheid en kracht uit te stralen.  Indien ik eerst een stap terug zette, vluchtte ik nu
drie meter weg.  Marina begon te lachen, geamuseerd door mijn overdreven reactie.  
Marina lachte en lachte, lachte.  Het kwam mij voor dat haar mond openscheurde tot
achter in haar nek, dat haar hoofd rond en dik werd, dat haar neus en oren
verdwenen, dat zij haar prachtige bruine haartooi verloor, en dat haar huid
weerzinwekkende zwarte en rose tinten kreeg…Om niet te vallen  leunde ik tegen een
boom.
-Eh ! Wat gebeurt er met jou ?- Marina schudde me met mijn arm en bracht mij terug
tot de werkelijkheid.
Zij was terug daar, dezelfde Marina beminnelijk als altijd.  Mijn grote, bruine, lachende,
onschuldige Marina, eenvoudig, onwetend en ongelooflijk lief.
-Het is niets-zeg ik al blazend-.  Ik voel me niet op mijn stukken.
Om me eindelijk gerust te stellen, zegt Marina mij :
-Wil jij morgenvroeg komen zwemmen ?  Het is immers zondag.  Jij brengt je
zwembroek mee en we gaan onze gang.
Ik beloofde te komen tegen tien uur.  Ik neem zoals altijd afscheid van Marina met een
kus.  
-Tot morgen- zeg ik.


– 7 –

Maar ik kwam niet terug.
Met een volmaakte zekerheid, nog voor de trein was gestopt aan het tweede station,
dat van La Lucila, wist ik alles wat ik moest doen.  De volgende twee weken
ontwikkelde  ik een koortsachtige wervelvind van activiteiten en werkte ik praktisch al
mijn lopende zaken af.  Ik beantwoordde geen enkele telefoon en slaagde erin te
veranderen van woonplaats en werk.
Zoals men dat formuleert in de politionele kronieken hield ik op met mij te laten zien op
de plaatsen die ik regelmatig bezocht.  Na verloop van tijd, kon ik mij definitief vestigen
in Santa Rosa, in de streek van La Pampa : de stad had een droog klimaat en bevond
zich op gelijke afstand van de Atlantische en de Pacifieke Oceaan.

[ De Imperios y servidumbres, Barcelona, Editorial Seix Barral, 1972. ]


(geplaatst op 15-11-2005)

terug naar boven
FERNANDO SORRENTINO
keuze en vertaling naar het Frans van Michel Casana: Henri Thijs