Copyright © 2002/ 2006: Het Prieeltje Online.  All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag
worden gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het
Prieeltje Online zijn trademarks van  Het Prieeltje, Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 013/33.55.16.  Deze site
kan best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.  
DE DODEN TERUGBRENGEN

Ik besloot het geld van de vrouw te stelen.  Ten minste dat was
het plan.  Het was een uitgekiend plan.  De vrouw Jane Simmons
begon een reisgenootschap onder de naam van haar zoon nadat
deze zelfmoord had gepleegd.  Hij hield van reizen, en dit was
het beste wat zij kon bedenken om hem te eren.  Ik beraamde
een telefonisch voorstel waarvan ik wist dat het haar zou
aanspreken, zodat ik het geld kon krijgen en ermee aan de haal
gaan.  
Reizen behoorde nooit tot mijn interessesfeer.  Ik hield niet van
vliegen of van te worden gestopt in een auto voor een lange
periode.  Deze feiten deden echter niets af van mijn besluit om te
solliciteren naar de reisbeurs.  Alles wat ik wilde was het geld, en
wat ik daarvoor nodig had, was een slim bedacht voorstel en twee
aanbevelingsbrieven.   Niemand zou ooit kunnen weten of je
werkelijk of niet op reis ging.  Zo dacht ik toch tenminste.  Het
leek mij een schrander en gemakkelijk plan, dat onmogelijk kon
mislukken.
De reisbeurs was 5.000 $ waard.  Ik voelde geen wroeging over
het gappen van dat geld.  Zij was immers naarstig op zoek om
het te besteden.  Dankbaarheid was alles wat de rijke dame
wilde, en ik kon haar die garanderen.   Misschien dat ik ook nog
wat tranen kon laten lopen voor haar dode zoon.  Voor een prijs
moet je wat over hebben.
Wie in aanmerking kwam voor de beurs, moest het land verlaten
binnen de zes weken en het geld uitgeven voor reisdoeleinden.  
Iedereen in de universiteit vond Jane een beetje excentriek.  Zij
hield van de vreemdste voorstellen en had geen oor naar stijve
academische projecten.  Mijn voorstel was om naar Engeland te
gaan voor archiefonderzoek en bestudering van documenten over
Joice Heth die P.T. Barnums eerste heldin was. Zij beweerde de
165-jaar oude mama van Generaal George Washington te zijn.   
Heth en Barnum verkenden samen heel Engeland.  Ik wendde voor
om musea te gaan bezoeken waar zich documenten bevonden
over haar eerste toneelspelen.  Zijnde flamboyant en grappig zou
ik het nooit riskeren over te komen als een flauw en zenuwachtig
studentje.  De enige rol die ik kon spelen in het leven was ikzelf,
en ik kreeg het daarbij danig koud, vooral sinds daar 5.000 $ te
rapen lag bij een eenvoudig slachtoffer, een kwetsbare vrouw.
Ik zwoer in mijzelf dat ik niet zou week worden en deernis voelen
voor haar.  Iedereen maakt wel eens persoonlijke drama’s mee.  
En zij was dan nog rijk ook en bezat geld genoeg om zich er
doorheen te slaan.
Twee weken voor ik mijn voorstel indiende, verdween mijn
moeder, en stopte met mijn telefoonoproepen te beantwoorden.  
Zij verloor altijd haar job.  Ik hoopte maar dat zij niet in geldnood
zat.  Ik had vroeger al borg gestaan voor haar.  Maar nu voelde ik
mij egoïstisch.  Ik wilde de 5000 $ voor mij alleen.  Dat was toch
het minste wat ik kon eisen voor het bekokstoven van zulk een
briljante oplichterij.  
Ik nam mij voor dat ik haar in geval van nood de helft van de
beurs zou schenken.  Wat ook aantoonde hoe zeker ik van mijn
zaak was bij die kwetsbare vrouw.  Ik had de reisbeurs nog niet
gewonnen en ik was al bezig met het geld uit te geven.
Naarmate de deadline voor de reisbeurs naderbij kwam, groeide
ook mijn verbolgenheid ten aanzien van mijn moeder.  Ik was
toch geen Robin Hood.  Ik wou de rijken niet bestelen om te
geven aan de armen.  Ik wilde de rijken bestelen om het geld aan
mijzelf te geven.  
De dag voor Thanksgiving verzond ik een bericht over een vermist
persoon.  Alhoewel mijn moeder en ik weinig samen spraken, was
het toch vreemd geen telefonisch contact met haar te kunnen
bewerkstelligen.  Weken aan een stuk gingen mijn oproepen naar
haar voice mail, en dan opeens kreeg ik een boodschap zeggende
dat de lijn was afgesloten zonder verdere informatie.
Waar was mijn moeder gebleven?
Het leek er niet op dat zij geen geld meer had om ook maar
ergens te verblijven.  Zij zat al minstens drie jaar zonder werk en
verliet nooit de caravan.  Arm opgegroeid, reisden wij nooit, en
nodigden nooit iemand uit. Ruziën was onze hobby; het was
goedkoop en hield ons bezig.  
Mijn broer hield niet zo van kletsen; daarom ook heeft hij mij,
nadat ik de staat had verlaten,  nooit nog gebeld.  Uit
beleefdheid en domheid, liet ik hem met rust en belde naar de
politie alvorens hem te contacteren. Want mijn vrees
overmeesterde mij en ik moest een antwoord hebben en
aangezien hij in tegenstelling met mij, leefde in dezelfde
toestand als mijn moeder, moest hij toch iets weten.
Ik kon niet geloven dat hij de hoorn opnam toen ik hem belde.
“Waar is mama?” zei ik, denkend er goed aan te doen al de
gangbare groeten maar achterwege te laten; ik wist dat hij zou
inhaken zo vlug hij kon.
“Weg”, zei hij.
“Waar naartoe?” vroeg ik.
“De bank heeft de caravan verzegeld.  Zij moest weggaan.”
“Dat wist ik niet, jij wel?”
“Ik wil daar niet over praten” zei hij.
“Onze moeder is weg.  Ik heb een bericht van vermiste personen
verzonden,” zei ik,” ik wil de details kennen.”
“Er zijn er geen” zei hij,” De bank verzegelde de caravan en zij
moest weg.”
Twee weken later belde mijn moeder mij op en vertelde me dat
ze gezond en wel was en woonde in een leegstaande slaapkamer
van mijn broer.  Zij klonk helemaal niet triestig, en liet geen
enkel teken van zelfbeklag horen.  Nochtans wilde ik haar kwaad
horen, en het feit doen betreuren dat zo vele werkgevers haar
discrimineerden omwille van haar leeftijd.  Ik wilde haar terug tot
leven wekken door woede, of haar woede zich laten keren tegen
mij.  Maar dat gebeurde niet.  Zij vroeg hoe ik er financieel voor
stond en mezelf kon bedruipen.  
Ik zei haar dat ik volop bezig was met het solliciteren naar
reisbeurzen.
“Goed,” zei ze, “ Neem maar alles wat je kunt krijgen.”
“En maak je vooral geen zorgen over mij,” zei ze nogal kortaf, ” Ik
stel het goed.”
Ik was vastbesloten mijn moeder wat geluk te brengen, en terug
wat leven op te wekken in haar stem.  Ik besloot daarom haar
zeker de helft van mijn potentieel gewin af te staan.  Maar niet
meer dan de helft, ik was geen heilige.
Het geld zou mijn moeder bezielen.  Ik beeldde mij in dat dit de
reden was waarom Jane Simmons in eerste instantie met dat
beursgenootschap was begonnen.    Ik stelde mij haar voor
liggend in bed zeer bedroefd over haar zoons dood en piekerend
over een manier om haar pijn te overwinnen.  Zij dacht dan aan
haar zoons geluk tijdens die keren dat hij de kans had om op reis
te vertrekken.   Door dat idee van het reisgenootschap voelde zij
zich wellicht een beetje beter , niet zo veel misschien , maar het
was toch een stap in de goede richting.  Deed ik wel niets
verkeerd door het geld te gebruiken om iemand anders te helpen,
als die iemand anders uitgerekend een verloren familielid was?
Toen ik mijn mentor vertelde over mijn intentie om te solliciteren
naar de reisbeurs, vernam ik dat zij nauw bevriend was met Jane
Simmons.  Enkele dagen nadat ik mijn aanvraag had ingediend
bracht zij mij dan ook in contact met Jane.  Jane zag wel iets in
het voorstel, zoals ik wel op voorhand geweten had.  Toen ik haar
thuis opbelde, klonk zij zo gelukkig alsof zij de tragedie met haar
zoon al vergeten was wat mij ook tevreden maakte.  Ik wou echt
geen geld stelen van iemand die triestig was.  Ik had zo mijn
principes.  “Jouw mentor vertelde me alles over je.  Waarom kom
je mij niet bezoeken?” zei ze.
“Zeker,” zei ik,”Wanneer?”
“Nu,” zei ze,” nu direct.”
Ik voelde mij verveeld om haar te vertellen dat ik geen auto had.
“Ik heb geen auto ,” zei ik.
“Neem een taxi,” zei ze,”Ik zal hem wel betalen.”
Jane wachtte buiten op mij.  Ik wist niet of ik iets ging zeggen.  
Ik was bang dat het niet eerlijk zou klinken, zoals iemand doet
om 5000 $ vast te krijgen.  Ik gaf mij er rekenschap van dat ik
moest overkomen als iemand die niet in het minst gaf om het
geld.   Daarom besloot ik van maar niets te zeggen.  Laat haar
maar de conversatie leiden, dacht ik.  Laat haar me maar naar de
5000 $ brengen.  
“ Kom ik je niet bekend voor?”
Ik wist niet hoe ik het had. “Neen,” loog ik, “Hebben wij elkaar
dan ooit ontmoet?”
Zij zag er een beetje gekwetst uit.” Ik hield van je voorstel,” zei
ze,” Het zag er helemaal niet stijf en academisch uit.  Barnum is
een fascinerende jongen.”
“Dank je,”zei ik.
“Mijn zoon verzon veel verhalen.  Echt vreemde verhalen.  Toen
hij nog een kind was diste hij verhalen op over de plaatsen die hij
wou bezoeken.”
“Dan moet hij heel creatief geweest zijn,” zei ik.
En toen begon ze te huilen.
Zij snotterde onophoudelijk.
Niets kon haar doen ophouden.
Ik moest iets ondernemen.  Ik moest helpen.  Ik wou zeggen dat
ik niet verwachtte iets terug te krijgen.  Ik wou benadrukken dat
dit een opdracht was die ik graad deed vrij van lasten.
Ik sloeg mijn armen om haar heen en trok ze stevig tegen mij
aan.  Mijn armen raakten haar rug aan, mijn handen hingen in de
lucht alsof zij toebehoorden aan een zakkenroller die op het punt
stond zijn slag te slaan. En ik won de beurs.  Ik moest eerst
geïnterviewd worden door Jane en een comité van geleerden.  Net
voor de vergadering nam Jane mij even terzijde en zei dat ik me
geen zorgen hoefde te maken.
“Maar ik kan vertrouwen faken,” zei ik.
“Je zult het niet nodig hebben te faken,” zei ze,” ik zeg je dat het
in kannen en kruiken is.”
Drie weken later ontving ik de cheque met de post.  Jane belde
me op om te zeggen dat ik het bedrag moest sparen en niet
uitgeven vooraleer ik effectief aan de reis begon.  Dezelfde dag
nog besloot ik mijn moeder gaan te bezoeken.  Ik boekte een
vlucht en schreef opgewonden een cheque uit voor mijn moeder
van 2000 $.(Haar 2500 $ schenkend zou wat vreemd overkomen,
een even som voelde minder vreemd aan.  En ook had ik wat
nieuwe kleren nodig en vond dat ik het verdiende om mij eens
extra te verwennen.  Wanneer zou ik nog zo’n een gelegenheid
krijgen?)
Ik wist dat de 2000 $ haar gelukkig zou maken.  Ik wist ook dat
zij trots zou zijn van een zoon te hebben die haar zo uit de
problemen hielp.
Voor mijn telefoongesprek met Jane, drukte zij mij op het hart
van het geld afzonderlijk te bewaren van mijn ander spaargeld.  
Haar geld was speciaal geld, “magisch” geld, zei ze.  Het was
geld dat iemands droom kon verwezenlijken.
Maar alles waar ik kon aan denken was het kopen van een hoop
extravagante dingen voor mijzelf.  En,natuurlijk, het uitschrijven
van een cheque voor mijn moeder.  Ik had Jane niet langer meer
nodig en vond het effenaf vervelend dat zij altijd maar wilde
praten over mijn verplichtingen in verband met haar geld.  Wat
meer wilde zij nog van me?
Ik knuffelde haar.
Ik liet haar ophouden met huilen.
Ik had mijn plicht vervuld.
Mijn moeder, mijn dakloze moeder, had mij nodig, en ik had
hoegenaamd geen oren meer naar de noden van anderen op deze
wereld.  De wereld kon zichzelf genezen.
Een maand later won ik de reisbeurs,  mijn broer kocht mij een
vliegtuigticket om hem en mijn moeder te bezoeken.  Ik voelde
mij gelukkig om persoonlijk de cheque aan mijn moeder te
overhandigen. Tijdens de taxirit naar het verblijf van mijn broer,
schreef ik een cheque uit van 1.500 $ en stak hem in een
geschenkdoos.(Zij woonde nu bij mijn broer zonder huurlasten.  
Had zij dan wel 2.000 $ nodig?  Dat was toch een beetje
overdreven.)
Toen ik bij mijn broer aankwam, was mijn moeder net buiten.  Ik
voelde mij gelukkig.  “Schatje,” zei ze en omhelsde me.  Zij
stootte bijna de doos uit mijn hand wat mij ergerde.  Ik had
immers iets dat zij broodnodig had.  
“Wat een verrassing!” riep zij uit en haar stem klonk zo luid dat ik
bang was dat de buren haar zouden horen.  Zie dat ze buiten
kwamen gelopen om te zien wat er aan de hand was, dan zou ik
het overhandigen van het geschenk moeten uitstellen.  “Kom
binnen,” zei ze.
Zij gebood mij te gaan zitten en ging iets halen om te drinken.  
Ik hoorde haar rommelen in de keuken, deurtjes open en toe
gooien op zoek naar iets.  Haar klaarblijkelijke toomloze energie
maakt mij nerveus.
“Wat scheelt er?” vroeg ik.
“Ik kan hier niets vinden”, zei ze,” dit is niet mijn thuis.”
Zij kwam uit de keuken met een schaal vol melk en koekjes.  Ik
overhandigde haar de geschenkdoos.
“Voor mij?” zei ze.
“Het is een geschenk,” zei ik.
“Voor mij?” herhaalde ze.
Het was vreemd.  Zij leek verward.
“Voor wie anders?” zei ik.
Zij opende de doos.
“Heb jij een bank beroofd?” riep zij uit.
Ik rolde met mijn ogen.
“Jij deed toch niemand geen pijn om dit te bemachtigen?” zei ze
Ik had een volle seconde nodig om haar te antwoorden,”Neen,
natuurlijk niet.”
Het geld leek haar niet veel gelukkiger te maken.  Ik kon mijn
ogen niet geloven.  Ik dacht dat het geld haar terug tot leven zou
brengen.  Ze zag er nog steeds even versteld uit en zenuwachtig.
“Ben je wel zeker dat je niemand pijn hebt gedaan?” herhaalde ze.
“Zeker” zei ik,” Op mijn erewoord.”
Ik heb haar niet gevraagd wat zij aanving met dat geld.  Zij
verliet nooit mijn broers appartement.  Daar was ik bepaald zeker
van.  Mijn broer belde mij eens om te vragen of mijn moeder bij
mij kon blijven voor een paar weken.  Eerst wou ik weigeren,
maar hij beloofde me dat het niet langer dan twee weken zou
duren de dag van aankomst en vertrek inbegrepen, en hij zou de
tickets betalen.  Verder zei hij dat hij mij twee maanden gaf om
mij voor te bereiden.  Uitgerekend dezelfde dag belde Jane.  Zij
vroeg mij bij haar te komen lunchen.  Ik stemde daarmee in.  
Tijdens de lunch vroeg Jane naar het geld.” Je hebt toch het geld
gereserveerd voor de trip?”
“Ja.”
“Wanneer vertrek je?”
Ik voelde dat ik begon te panikeren.  Ik zei haar binnen twee
maanden.  Mijn moeder hield er toch niet van het huis te
verlaten.  Er zou dus ook weinig risico zijn om te worden betrapt.
Ik probeerde niet in haar ogen te kijken terwijl ik haar dit alles
vertelde.  Ik leidde het gesprek af naar het opmerken van een
foto van haar zoon.  Ik stond op en ging er naar toe.  Het was
een spontante en onbewuste reactie van mij.
Ik staarde naar de foto.  Haar zoon zag er helemaal niet uit als
een welstellend iemand.  Zijn haar was verward en hij droeg een
onaantrekkelijke marinekleurige sweater die er wat afgeschoten
uitzag.  Er lag een zekere droefheid in zijn ogen, bijna alsof hij
wist dat hij binnenkort ging verdwijnen en dat niets of niemand
daar iets kon aan doen.  Ik stelde mij Jane voor terwijl zij hem
overal volgde in het huis, pogend om hem wat op te vrolijken en
een lach op zijn gezicht te toveren.
Ik voelde Jane’s  hand op mijn schouder.
“Ziet hij er ongelukkig uit?” vroeg ze.
“Neen,” loog ik.
“Je liegt,” zei ze, “ Zeg me niet wat ik graag wil horen.”
Zij wachtte een ogenblik en vervolgde,” Jij lijkt op hem.”
Ik besloot maar niet te zeggen dat we in niets op elkaar leken.  
Ik zou haar ook niets vertellen over mijn moeder en haar
dakloosheid.  Zij had het recht niet om dat te weten, om het even
hoeveel geld ze mij ook gaf.  Ik was haar niets verschuldigd.
Zij had mijn pijn niet nodig.  Dat maakte geen deel uit van onze
overeenkomst.
Ik gaf haar al een knuffel.
Dat was meer dan genoeg.
Ik bracht onze aandacht terug naar de foto van haar zoon.  Hij
had meer ruwe, klassieke trekken, een flets gezicht.  
Ik had nog altijd babyvet, of dat probeerde ik mijzelf toch wijs te
maken, zo moest ik niet nodig op dieet.
“Denk je niet dat je op hem lijkt?” Ik kon onze droefheid voelen in
de kamer.  Zij bezat het fijnste en mooiste meubilair, niets van
dat goedkoop spul dat in onze caravan stond toen ik nog een
jochie was.  Alles was zo mooi en sereen; daarom wilde ik niets
beschadigen met een ernstige conversatie.
Zij kwam terug binnen met een automatische camera en nam een
foto voor ik mij realiseerde wat zij deed.  Voor de twee foto,
vroeg ze mij stil te staan en te lachen, en daarna vroeg ze weer
om te poseren wat ik deed.
“ Ga een beetje in die richting,” zei ze.
Ik voelde mij een beetje verward.   Waarom kon ik niet blijven
staan waar ik stond?  Poseren voor foto’s was iets dat ik
verafschuwde.  “Je houdt hem buiten beeld,” zei ze.
Ik wist eerst niet over wie ze het had.  Daar was niemand anders
in de kamer.
“Mijn zoon,” zei ze,” Je staat voor zijn foto.”
Ik verwijderde mij een beetje van de foto.  En ging dan nog wat
verder staan, niet omdat ik dat moest doen, maar ik wou weg van
hem.  Hij maakte mij nerveus.
Zij nam nog een foto.
“Nu,” zei ze,” moet je een beetje dichter bij hem gaan staan. Ik
wil een foto van jullie beiden.”
Ik deed wat ze vroeg en zij nam de foto.
De dag voor mijn moeder bij mij ging arriveren, liet ik een
boodschap na op Jane’s antwoordapparaat, zeggend dat ik haar
vroeger wou contacteren maar daartoe geen gelegenheid had en
dat ik nu op weg was naar Engeland.  Voor de rest van de dag,
nam ik geen telefoon meer op.  Zij antwoordde met twee
boodschappen waarin zij haar bezorgdheid uitdrukte dat wij niet
meer hadden samen kunnen praten.  Zij had nog zoveel reistips
voor mij in petto.Dat irriteerde me. Ik was haar zoon niet.  Ik had
haar raad niet nodig.  Ik was een volwassen persoon.  Ik wist wat
ik moest doen.
De dag dat moeder aankwam, voelde ik mijzelf rusteloos, en
voelde een neiging opkomen om mijn telefoon los te koppelen,
want ik wilde absoluut niet dat mijn moeder Jane aan de lijn
kreeg.  Maar toch kon ik die behoefte bedwingen.
Van zodra ik mijn moeder had opgepikt in de luchthaven, kloeg zij
erover dat zij moe was en vroeg me om direct naar huis te rijden.  
Daar viel ze onmiddellijk in slaap.  Ik zette mij neer en bekeek
haar terwijl zij sliep.
Gedurende de eerste dagen bij mij thuis deed mijn moeder bijna
niets anders dan slapen.  Zo nu en dan verliet ik het huis om wat
groenten te kopen en video’s te huren.  Maar die laatste vielen bij
haar bijna nooit in de smaak.  
Na een week zei mijn moeder,” Waarom haal je altijd komedies?  
Ik haat komedies.”
Ik wist niet wat te antwoorden, zo zweeg ik maar.
“ Het spijt me,” zei ze dan,” Let maar niet op mij.  Beschouw mij
maar als een spook.”
Ik wilde zeggen, “ Maar ik gaf je geld.  Je hebt iets nu.  Het geld
zou je moeten toelaten weer te leven.”
Maar ik zei dat alles niet.  Alles wat ik deed was haar knuffelen
en zeggen,” Jij moet je niet excuseren.  Je hebt al genoeg
doorgemaakt.”
Na twee weken van mijn moeders verblijf, belde Jane op.  Mijn
moeder sliep toen Jane een boodschap achterliet.  Ik luisterde
verschillende keren aandachtig ernaar, om aanwijzigingen te
vinden over haar wantrouwen misschien en om te horen of ze er
niet op uit was om mij te testen op leugens.  Geloofde zij mij
niet?  Was zij misschien van oordeel dat ik op een moment van
verstrooidheid de telefoon op zou nemen vergetend dat ik haar
had verteld dat ik weg was?
Twee dagen later stuurde ik haar een e-mail, met de boodschap
dat ik uit het land was en haar vurig dankte voor de gelegenheid
die zij mij had gegeven om te reizen.
Tijdens die periode van mijn moeders verblijf werkten wij elkaar
serieus op de zenuwen.  Iedere keer dat ze mij zei van een dutje
te gaan doen, bevestigde ik dat met een razende opmerking.  Op
de voorlaatste dag van haar verblijf, stelde ik haar voor om uit te
gaan eten om ons afscheid te vieren.  Wij waren zelden
uitgegaan.  Zij stemde er mee in om naar een aangenaam klein
Italiaans restaurant te gaan in de buurt.  Zij deed zelfs wat make-
up op haar gezicht .  In het restaurant leek zij erg nerveus.
“Je moet nu niet nodig je geld verspillen aan mij,” zei ze,”Je hebt
al genoeg gedaan.”
“Je bent toch mijn moeder,” zei ik.
“Trouwens,” zei ik,” wat ga je met het geld doen dat ik je gaf?”
Ik kon niet geloven dat ik die vraag gesteld had.  Ik behandelde
haar alsof ze mijn kind was, om te horen of ze het geld niet
nutteloos had gespendeerd.
“In feite,” zei ze,” Heb ik het al gebruikt.”
“Echt waar?” zei ik.
“Ik had schulden onder de mensen.”
“Mensen?” zei ik, “Je bedoelt kredietkaartmaatschappijen?”
“Ik verloren mijn kredietkaartfaciliteiten al jaren geleden,” zei
ze,” Ik bedoel mensen.  Ik had schuld bij mensen.”
De manier waarop zij het woord mensen uitsprak maakte mij
nerveus.  Ik stelde ze mij al voor als een soort Italiaanse
maffiabazen die op mijn moeders deur bonkten.
“Je had jezelf toch niet diep in nesten gewerkt ?” zei ik
“Dat doet nu niets meer terzake” zei ze”Dat is nu achter de rug.”
Wij aten onze maaltijd in stilte.  Toen we aanstalten maakten om
te vertrekken hoorde ik iemand mijn naam roepen.  Ik maande
mijn moeder aan naar de auto te gaan met de belofte dat ik
direct zou volgen.
“Ga je mij niet eerst voorstellen aan je vriendin?” vroeg ze.
“Neen,” zei ik,” ga nu a.u.b.”
Maar daarvoor was het al te laat.
Jane was minder dan een voetstap verwijderd van ons.  “Ik ben
Steve’s moeder,” zei ze.
“Ik dacht dat je weg waart,” zei Jane, “ Kwam je vervroegd terug?”
“Hij is nooit weggegaan.  Ik kwam naar hem,” zei mijn moeder.
“En hij vertelde me dat hij op reis was,”
“Reis?” zei mijn moeder, “ Hij haat vliegtuigen.  Hij haat auto’s.  
Hij zal nooit reizen.”
“ Bovendien waarom zou hij, hij stelt het goed hier,” zei mijn
moeder, “ De school gaf hem zopas een pak geld.  Hij kocht een
nieuwe kleerkast, een TV en een video.”
“Oh,” zei Jane.
“Ja”, zei mijn moeder, “ Ik ben echt trots op hem.”
“Het is niet wat je denkt,” zei ik.
“Ik ben zeker dat het nog erger is,” zei Jane.
“Waarover hebben jullie beiden het?” vroeg mijn moeder.
“Het geeft niet,” zei Jane, ”Moeders lijden al genoeg.  Nog meer
pijn is voor niets nodig.”
En dan richtte Jane zich tot mijn moeder, “Wanneer vertrekt U?”
“Morgen,” zei mijn moeder.
“Wij zullen overmorgen praten,” zei Jane, “ Me dunkt dat we nog
veel hebben bij te praten.”
In de tijdspanne dat Jane mijn moeder had ontmoet tot de dag na
haar vertrek, belde Jane mijn mentor op en verschillende decanen
die allen nieuwsgierig  waren naar enige uitleg.
Ik sprak met de mensen van de school alvorens ik mij tot Jane
wendde.  Ik legde hun de situatie van mijn moeder uit, maar geen
enkele van hen toonde enige sympathie.  Waarom kocht  ik een
heel nieuwe kleerkast, een TV en een video?  Ze zegden dat ze
hun best zouden doen om voor mij te pleiten maar dat ik toch
verplicht was zelf contact op te nemen met Jane om te proberen
de zaak met haar in het reine te brengen.
Toen ik haar opbelde, begon ik te huilen van zodra ik haar stem
hoorde. “ Wat wil je dat ik doe?” zei ik.
Eerst zei ze niets.
“Ik zal alles doen wat je wenst,” zei ik, “ik handelde totaal
verkeerd, en het spijt me.”
“Het is niet dat ik persoonlijk het geld terug wil,”zei ze,” Het zit
zo dat mijn zoon het geld terugwil.  Het is zijn geld. Niet het
mijne.  Ik kan er niet mee doen wat ik wil.”
“ Ik wil je alleen maar zeggen,” zei ik,” dat ik het geld enkel
gebruikte om mijn ma te helpen.  Mijn moeder kwam mij
bezoeken.  Ik wou daarom die dingen kopen om haar trots voor
mij af te dwingen.”
“De reisbeurs houdt de herinnering aan mijn zoon levend,” zei ze.
Ik wou haar kwetsen.  Ik wou haar de waarheid vertellen.  Ik wou
zeggen:”Je beweert wel dat dit alles is dat je voor hebt met het
geld.  Maar de waarheid is dat je het geld wil om je zoon terug te
brengen van de dood.  En geen geld ter wereld zal ooit in staat
zijn dat te verwezenlijken.”  Maar ik zei dat alles niet.  Ik
aarzelde.  Ik stelde mij voor hoe ik in haar ogen keek en daarna
in die van mijn moeder, ogen van een vermoeide, uitgeputte
vrouw, een vrouw zo afgetakeld dat zij nauwelijks iets begreep
van wat er eigenlijk gaande was.
Niet dat ik dat zo goed wist op dat ogenblik.
“Hij moet zijn geld terug hebben.  En is bereid afbetalingen te
aanvaarden.  En jij moet elke maand stipt op tijd betalen want
anders zal hij niet gelukkig zijn en ik weet dat je wilt dat hij
gelukkig is.  Hij zou zich over jou geen zorgen hoeven te maken.”
Voor een gans jaar en een half, betaalde ik mijn afbetalingen op
tijd. Toen Jane de laatste betaling ontvangen had, belde zij mij
op en vroeg ze me om naar haar te komen.  Zij had iets nodig van
mij.
Ik vroeg haar wat dat iets was.
Ze zei dat ze haar verzoek alleen maar persoonlijk kon overmaken.
Ik nam een taxi naar haar woonplaats en zij zei dat we samen
een eindje moesten rijden.  Ik nam plaats in haar auto.  
Aangekomen aan het kerkhof stapte zij uit terwijl ik bleef zitten.
“Kom met mij mee,” zei ze.
Wij begaven ons naar haar zoons graf.  Ik kon mijzelf er niet toe
dwingen te kijken naar zijn grafsteen. “Kijk naar zijn naam,” zei
ze.
Zij stak haar hand diep in haar zak en kwam dan met een cheque
te voorschijn.  “Dit is een cheque van 5000 $,” zei ze.
En ze scheurde hem in tweeën en gaf mij een helft.
“Scheur hem kapot,” zei ze, “ Scheur hem in kleine snippers en
gooi ze op het graf.”
Ik moet er wat verward hebben uitgezien.
Ik was bang.
Ik wist niet wat te doen.
“Doe wat ik zeg,” zei ze.
Ik deed dan maar wat ze vroeg.

Nadat ik de snippers verspreid had over het graf, volgde zij mijn
voorbeeld.  Het was koud.  Het was koud en windering.  Het
waaide zo hard dat het gras op het graf bibberde, en het was
alsof de grafsteen ging bewegen.  Je zou hebben gedacht dat er
iemand begon te leven onder de grond, rusteloos trachtend ons te
wijzen op zijn aanwezigheid, zijn spontane vitaliteit.

* * *

(geplaatst op 22-05-2006)

Voor nog meer verhalen van deze auteur op deze site,
klik hier!

terug naar boven
STEVE FELLNER
keuze en vertaling Henri Thijs
Steve Fellner woont in Utah (USA).  Zijn werk verscheen of gaat verschijnen in
Brevity, Northwest Review, Another Chicago Magazine, Alaska Quarterly
Review en vele andere.